Maandelijks archief: augustus 2012

Groei of groen?

Marianne Thieme’s opinie-artikel in De Volkskrant is stimulerend lezen. Niet in de laatste plaats omdat zij een punt heeft betreffende de originaliteit van de Partij van de Dieren: de partij is (ondanks een toenemende media-aandacht) weliswaar nog steeds een zeer kleine partij, maar Thieme heeft gelijk als zij erop wijst dat alle andere partijen, GroenLinks niet uitgezonderd, op het economische vlak groei-georiënteerd zijn. Dat wil zeggen, in de huidige crisistijd is de strijd tussen de verschillende grote partijen vooral een strijd hoe Nederland weer uit de crisis komt en de juiste investeringen dan wel bezuinigingen doet om de economische groei te herstellen, de groei in het Bruto Nationaal Product dat als haast vanzelfsprekend wordt geaccepteerd als dè maatstaf voor het welzijn van het land in het algemeen. Op de discussie over de economische situatie van Nederland antwoordt zij terecht dat dit in veel opzichten vanuit een globaal perspectief een red herring is: “Onze schuld-, groei- en geldverslaving die ervoor zorgt dat al onze wensen en verlangens in geld als rekeneenheid worden uitgedrukt, benemen ons het zicht op de werkelijke problemen van schaarste en verdeling. (…) Economische groei is niet de oplossing van onze problemen, maar de oorzaak ervan.”

Dat is heldere taal, en een verfrissend nieuwe analyse. Omwille hiervan, vindt Thieme, is het tijd om te denken in termen van ecologische duurzaamheid en de verdeling van de taart (Thieme is dol op niet altijd even succesvolle taartmetaforen, zelfs een ‘groene taart’): een “planeetbrede beleidsvisie, los van het traditionele links/rechtsdenken.” Als men zich beseft dat net het nieuws is ontvangen dat het zee-ijs van de Noordpool een recordafname heeft laten zien, dat de visstand wereldwijd inmiddels zo dramatisch is dat het de vraag is of er überhaupt nog vis te eten zal zijn in 20-30 jaar, dat ieder jaar de datum waarop de draagkracht van de aarde – op basis van de huidige productiewijze – uitgeput is weer vroeger valt, dat anthropogene klimaatverandering een realiteit is (de recordhitte, record-vloedgolven, record-droogten en zo voorts maken dat inmiddels zelfs voor de skeptici voelbaar), en zo voorts, valt daar veel voor te zeggen. Het is in ieder geval een welkome ontwikkeling als de Nederlandse politiek haar provincialisme achter zich laat en toont zich er serieus van bewust te zijn dat een wereldwijd geïntegreerde politieke economie ook wereldwijde problemen en wereldwijde structurele fenomenen en tendenzen met zich mee brengt. Het is begrijpelijk dat in tijden van crisis mensen in eerste instantie aan eigen land en eigen portemonnee denken, maar desondanks is Nederland eenvoudigweg niet in een economische of politieke staat om meer te zijn dan een kleine Europese speelbal, onderhevig aan globale economische winden. Daarom is een eerlijke en onbevreesd internationale ideologie zoals die van de Partij van de Dieren meer dan welkom.

Toch is het niet zo eenvoudig als Thieme het doet voorkomen. Als het gaat om een kritiek op economische groei als hoogste waarde en politiek oriënterend concept, heeft zij volledig gelijk. Economische groei is een onduidelijk begrip: omdat groei wordt gemeten in termen van het Bruto Nationaal Product, en het Bruto Nationaal Product slechts een meting is van de waarde van iedere transactie in termen van de huidige prijzen, is het een concept dat lang niet altijd enige overeenkomst heeft met een verbetering van de leefsituatie voor de mediaan-burger. Integendeel: het is een bekend feit dat als persoon A betaald wordt om een put te graven en vervolgens persoon B betaald wordt deze put weer dicht te gooien, er tweemaal een toename is van het BNP, zonder dat in sociale termen iemand er iets mee opgeschoten is. Vervuilende productie telt als toename van het BNP, en het schoonmaken van de gevolgen ervan ook, mits deze maar via de markt tot stand komen. Met andere woorden, het is een buitengewoon rudimentaire categorie van distributie, van het heen en weer schuiven van geld en van wat al geproduceerd is, maar daarom een dubieuze en op zijn best indirecte maatstaf voor de levensstandaard, laat staan een algemener maatschappelijk welzijn.

Echter, het groene verhaal heeft desalniettemin een aantal duidelijke politiek-economische manco’s. De eerste is dat het globale besef van de groene beweging veelal wel een ecologisch, maar niet een duidelijk sociaal-economisch karakter heeft. Dat wil zeggen, hoewel het zonder meer waar is dat het Westen proportioneel voor de wereldbevolking een enorme overconsumptie van voedsel, energie, en wat dies meer zij toont, en dat dit op een globaal niveau technisch niet te handhaven is gegeven de effecten op het ecosysteem, is dat niet de enige relevante factor. Feit is dat voor de grote meerderheid van de wereldbevolking er een even sterke behoefte bestaat om net als de Europeanen en de Amerikanen voorzien te worden van koelkasten, van vliegreizen, van magnetrons, van camera’s, van computers, en zo voorts. Hoewel de Partij voor de Dieren, net als GroenLinks, een bewonderenswaardige rhetorische bereidheid laat zien om redistributie van welvaart naar de Derde Wereld te bevorderen, is het niet duidelijk of zij zich realiseren wat dit inhoudt. Als we uitgaan van de visie van het behoud van een ecologisch equilibrium zoals Thieme c.s. dat voorstaan, is het eenvoudig ondenkbaar dat de bevolkingen van India, China, Brazilië, Pakistan en Indonesië allemaal zouden kunnen worden voorzien van een levensstandaard zoals wij die genieten, zonder dat dit zou vereisen dat de wereldwijde productie vervijfvoudigt. De wereldeconomie heeft dat al gedaan sinds 1950, en dat is precies de oorsprong van de huidige ecologische crisis. Het kan niet zo zijn dat de groene partijen beogen dat nog eens te herhalen op basis van de huidige globale productiewijze.

Als Thieme daarentegen bedoelt het slechts te houden op een kwestie van distributie, dat wil zeggen de verdeling van de bestaande taart (om haar terminologie te volgen), dan is het evengoed onmogelijk. Als we ons wederom in arren moede wenden tot het BNP als een grove maatstaf van welvaart, dan zien we dat het wereldwijde BNP ongeveer 70 biljoen (70.000 miljard) dollar was in 2011, volgens de Wereldbank. Dat klinkt als veel, maar als we dat vervolgens delen door de wereldbevolking van 7 miljard, houden we $10.000 in BNP per hoofd van de wereldbevolking over. Dat is in huidige termen ongeveer het niveau van rijkdom van Peru of Turkije. Niet de allerarmste landen, maar het houdt niet over. Het is natuurlijk waar dat met een veel gelijkere verdeling de sociale levensstandaard hoger zou zijn dan je je bij dergelijke landen voorstelt (denk ook aan de enorme ongelijkheid in die landen zelf), en er valt veel te doen met weinig als je maar andere doelen voor ogen hebt dan de huidige productiewijze heeft. Maar het betekent onherroepelijk dat de Westerse levensstandaard van nu niet alleen in het Westen op zou houden te bestaan, en deze zou terugvallen tot een niveau meer vergelijkbaar met dat van de interbellum-periode, maar ook dat die levensstandaard door de grote ontwikkelingslanden nooit bereikt zou worden. Het is dus vaarwel zeggen tegen ipods, skivakanties en laptops voor de gewone burger. Dat is politiek moeilijk uit te leggen.

Goed, zou men kunnen zeggen. Misschien is dat slecht nieuws, en niet het meest winnende politieke programma ooit. Maar: don’t shoot the messenger – het blijft waar ook al willen mensen het niet horen. En is het nu zo erg om zonder al die luxegoederen te doen? Het probleem met een dergelijke redenatie is dat hoewel het de situatie en de oorzaken juist analyseert, het niet de vinger op de wonde plek legt als het om oplossingen gaat. Hoewel geld misschien niet gelukkig maakt, is een zeker minimumniveau van welvaart een vereiste voor een degelijk leven, en dat vereist een tamelijk hoog niveau van productiviteit. Dit is des te meer waar als we onze medische en technologische prestaties willen behouden en niet uit een misplaatst gevoel van reactionaire romantiek over ‘eenvoudig leven’ velen willen veroordelen tot een kortere levensduur of een vroege dood. Dat is tenslotte het lot van de meerderheid van de wereldbevolking nu, en daar zou het om te doen moeten zijn. Tegelijkertijd blijft de kritiek op de economische groei geldig. Wat is dan een mogelijke oplossing, als noch groen noch groei kan werken?

Om dit te doorgronden vereist niet het opgeven van systeemdenken op globale schaal zoals de groene denkers doen, maar een andere manier van systeemdenken. Het eerste principe wat moet worden opgegeven is het principe van het ecologisch equilibrium, van het balansdenken. Bijna altijd worden groene politieke ideeën gepresenteerd in termen van het behouden van een bestaande ecologische balans, van het ‘behoud van de natuur’ en dergelijke termen. Als het gaat om het handhaven van een zeker niveau van biodiversiteit is daar nog wat voor te zeggen, al is het nuttig op te merken dat de causale principes achter het toe- of afnemen van biodiversiteit en het succes of verlies van inheemse soorten in competitie met indringers vrijwel geheel onbepaalbaar zijn gebleken – voor zover de beste ecologen kunnen nagaan, is het een kwestie van chaos. In de door Bill Bryson geredigeerde bundel van populair-wetenschappelijke essays, Seeing Further, verklaart professor Steve Jones, hoogleraar genetica aan University College London:

Even on a much shorter timescale, the numbers of birds and mammals in a particular place when studied for long enough swing wildly for no obvious reason (as in the collapse of the British house-sparrow). Unexpected outbreaks can also destroy whole ecosystems (as in Dutch Elm disease, which appeared from almost nowhere and killed millions of trees). Such fluctuation might maintain a complex community with no external driver, in which case the paradox of the plankton (and, by extension, of land-based ecosystems too) could be explained in terms of random change.

(1)

Maar dat is nog één ding. Belangrijker is dat er geen reden is om uit te gaan van een wezenlijk statisch equilibrium zoals veel groen denken veronderstelt. Het een cliché te zeggen dat de aarde altijd al in verandering is geweest; nuttiger is om dat concreter te formuleren in termen van dynamisch-cyclische systemen. De aarde is, zoals Oliver Morton zeer onderhoudend benadrukt in dezelfde bundel, effectief drager van een reeks interactieve cyclische systemen. Zo is er de koolstofcyclus, de stikstofcyclus, de energiecyclus, en zo voorts. Samengevat:

Like the components of an astrolabe, the cycles of the Earth system seem to nestle within each other, arranged not by size – they are all, in the end, the size of the planet – but by intimacy and speed, reaching out from the food in our bellies and the wind on our faces to the vastest of vegetable empires and the yet slower, greater mineral realm. Our sweat, once evaporated, spends only days in the sky before falling back as rain. The carbon dioxide we breathe out may be in the air for decades before being eaten up by plants, or take refuge in the oceans for millennia before resurfacing. Other cycles are slower still. While nitrogen compounds can be pumped from sea to sky by microbes, once phosphorus makes its way from soil to the sea it has no easy way back to the atmosphere, and must wait millions of years before, incorporated into sediments, it is lifted up into new mountains to fertilise the soils again. The cycles interpenetrate in such ways all the time, passing through each other in a daunting clockwork of teeth and differentials, their nesting anything but neat, their gearing prone to glitches.

(2)

Wat dit betekent is dat het geen zin heeft te denken in termen van een enkele, statische aardbol die moet worden behouden zoals deze is. Integendeel, de cycli van energie, koolstof en zo voort zijn cycli die ten alle tijden beïnvloed worden door andere cycli, door de organismen van de aarde (die daar ook weer deel van uitmaken), en door min of meer exogene factoren zoals de inslag van asteroïden, de formatie van ijstijden, en zo voorts. De mens als enige organisme met het vermogen tot zelfbewustzijn en planning moet hier juist gebruik van maken. In plaats van behoud van een equilibrium dat, wanneer bezien vanuit een langere termijn, volledig illusoir zal blijken, moeten we juist proberen de cycli van de aarde bewust aan te passen naar ons welzijn. De huidige productiewijze beïnvloedt deze cycli vooral negatief, meest evident in de indirecte vorm van de klimaatverandering (indirect, omdat de het de positieve feedback loop is die zo’n sterk effect op het wereldwijde klimaat teweeg brengt, niet de onmiddelijke CO2-uitstoot zelf). Maar dat is niet noodzakelijk, en het is aan ons dat te veranderen. Maar dat kan alleen als uit het groene denken het conservatisme wordt weggenomen: de angst voor verandering, de vrees voor het ‘voor God spelen’, de onwil om globaal en revolutionair in te grijpen, de neiging tot kleinschaligheid en localisme in de marge.

Praktisch gesproken maken wij van deze cycli al gebruik: tenslotte is olie niets anders dan in de aarde opgeslagen en gecomprimeerde energie, en de nucleaire elementen zoals uranium zijn reactief omdat zij energie uitstralen die door de uitbreiding van het universum nog vóór de vorming van de aarde aan hen gegeven is. Maar als de mensheid bijvoorbeeld de cyclus van de ‘import’ van energie uit de zon en de distributie daarvan over alle organismen van de aarde kunnen bewerken door technologische toepassingen, hebben we een serieuze mogelijkheid om de tegenstelling tussen welvaartsgroei en energiegebrek op te lossen. Zo ook als wij massaal investeren in een cyclus voor hergebruik van de vele schaarse materialen, zoals de zeldzame metalen, die momenteel gebruikt worden in industriële productie; als we de geothermale cycli aanwenden voor het vrijmaken van enorme energiestromen in de plaatsen van de aarde waar dit mogelijk is; als we het globale transportnerwerk herinrichten ten behoeve van een geografische herverdeling van de productie op aarde, en zo voorts.

Kortom, het is niet een kwestie van behoud, en niet een kwestie van equilibrium, maar juist een kwestie van het in ons voordeel gebruik maken van de cyclische dynamiek van het ecosysteem. Er hoeft geen contradictie te zijn tussen verhoging van het welvaartsniveau door middel van grootschalige en efficiënte productie – een reëele en essentiële voorwaarde voor iedere vorm van welvaart – en het tegengaan van de ecologische crisis. Zowel economische als ecologische crisis zijn tegelijkertijd oplosbaar, en met dezelfde middelen. Maar dit vereist een omslag niet zozeer tegen het idee van groei van consumptie en levensstandaarden als zodanig, maar een omslag tegen het idee van groei dat inherent is aan de huidige productiewijze, kortom een omslag tegen kapitalistische groei. Wat dit vereist is een grootse investering in wetenschap en technologie, niet alleen in de vorm van het ontwikkelen van zonnepanelen en dergelijke, maar ook in de ontwikkeling van de theorie van complexe systemen, in de wiskunde van logistiek, in onze kennis van chaotische en dynamische feedback, en zo voort. Het vereist ook de politieke wil en het politieke vermogen zulke kennis en technologie ook werkelijk globaal te implementeren. Kortom, het vereist een omslag van het denken van de groei in de anarchie van de markt naar de groei door rationele planning en kennis van complexe systemen. Het is een omslag van Hayek naar Marx. Zulks is natuurlijk niet te verenigen met de belangen van de handel, en de politiek-economische structuur van accumulatie die de huidige productiewijze kenmerkt. In dat opzicht heeft Marianne Thieme zonder meer gelijk: díe groei kunnen wij ons niet meer veroorloven.

1) Steve Jones, “Ten Thousand Wedges: Biodiversity, Natural Selection, and Random Chance”. In: Bill Bryson (ed.), Seeing Further: The Story of Science & The Royal Society (London 2010), p. 212.
2) Oliver Morton, “Globe and Sphere, Cycles and Flows: How To See The World”. In: Bryson 2010, p. 284.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie, Wetenschap

Monopolies in de wetenschap

De wetenschap monopoliseert. Dat wil zeggen, de druk om wetenschappelijke prestaties en resultaten te kwantificeren leidt er toe, dat het proces van wetenschappelijk onderzoek steeds verder vervormd raakt. Al sinds jaar en dag klagen sociale en geesteswetenschappers over niet alleen de onevenredige financiëring van hun onderzoek, maar des te meer nog over het van overheidswege opgelegde model van publicatie. Kort gezegd, inhoudelijk betekent dit dat wetenschappelijke publicaties worden beoordeeld in een soort puntensysteem, waarbij publicaties in tijdschriften bijzonder hoog tellen, en overige publicaties (populaire werken, monografieën, wetenschappelijke bundels, enz.) aanzienlijk minder. Dit is een publicatievorm die met name voor de hand ligt in de natuurwetenschappen, waar er meestal slechts een klein aantal gerenommeerde tijdschriften zijn voor een gegeven specialisme, en waar wiskundig of laboratoriumonderzoek veelal een helder en vooral een concreet kort samen te vatten resultaat oplevert, dat onmiddelijk voortbouwt op voorafgaand onderzoek. Dat is soms, maar lang niet altijd het geval aan de andere kant van de academische scheidslijn. In sommige vakgebieden zoals sociologie of geschiedenis gaat het nog, maar zelfs daar is het boek, dat klassieke medium, toch nog steeds het meest voor de hand liggende vehikel voor wetenschappelijke uiteenzetting. Des te meer daar theorievorming en methodologische overwegingen vaak een grotere rol spelen, en deze veelal een uitgebreidere uitleg vergen en dus niet makkelijk zich laten inpassen in een tijdschriftartikel van maximaal 20-30 bladzijden.

Dit alles is nog tot daar aan toe. Maar de strijd om de prestige en het overheidsgeld wordt hierdoor niet alleen kunstmatig via tijdschriftartikelen gekanaliseerd, maar er zit ook een veelal niet opgemerkte commerciële adder onder het gras. Laat het nu zo zijn dat er slechts enkele grote firma’s zijn die zich toeleggen op het uitgeven van wetenschappelijke tijdschriften; dat zulke tijdschriften door maar zeer weinigen gelezen worden; dat de abonnementen op dergelijke tijdschriften daarom buitengewoon duur zijn; dat niettemin academische bibliotheken een captive market vormen voor verkoop van zulke abonnementen, omdat ze de tijdschriften wel moeten hebben; en dat tenslotte het auteursrecht het monopolie op de inhoud geeft aan de uitgevers, een handvol grote bedrijven. Men kan wel nagaan dat dit een buitengewoon winstgevende onderneming is, een winst die enkel en uitsluitend bestaat dankzij de combinatie van het wettelijk monopolie verleend door auteursrecht en de afhankelijke positie van de universiteiten. Zelfs een kleine Nederlandse academische uitgever zoals Koninklijke Brill (uitgever onder andere van de Marxistische serie Historical Materialism!) maakt een nette miljoenenwinst, terwijl grotere firma’s zoals Wiley, Elsevier, en Springer een winstmarge op ingelegd kapitaal hebben van meer dan één-derde, ver boven de gemiddelde winst van een commerciële uitgever. (Ter voorbeeld: een jaarabonnement voor een enkel individu op het toonaangevende Journal of Hellenic Studies kost $200; het lezen van één artikel kost al $20. Dit geeft dan bovendien geen toegang tot het archief.)

Wat kan ons dit alles schelen? Nu, het is in de eerste plaats een twijfelachtig gegeven dat private firma’s uitstekende winsten kunnen maken dankzij een monopolistische toe-eigening van wetenschappelijke kennis die gegenereerd is uit onderzoek dat het algemene publiek betaald heeft. Dat zou iedere belastingbetaler van belang moeten vinden. Maar daar komt nog eens bij dat het de monopolisten een motief geeft om te proberen de algemene verspreiding van de wetenschappelijke kennis in hun tijdschriften te verhinderen. Immers, dat kan ten koste gaan van de noodzaak abonnementen (veelal online) aan te schaffen, waar zij hun geld uit halen. En dit komt vervolgens ten koste van de toegang tot wetenschap die het algemene publiek zou mogen verwachten. Niet alleen als sociaal wenselijk product, resultaat van de gemeenschappelijke ‘investering’ in de academie, maar ook omdat een zo breed mogelijke toegang tot dergelijke kennis het intellectueel peil van de bevolking verhogen kan. En men kan nooit weten wat iemand er mee doen kan.

Het belang van de algemene toegankelijkheid van wetenschappelijke tijdschriften is recent nog weer eens benadrukt, toen een 15-jarige jongen in de Verenigde Staten een wetenschappelijke prijs van $75.000 won door een verbeterde methode voor het vaststellen van alvleesklierkanker uit te vinden. Deze methode werkt, volgens het BBC-verslag, maar liefst 168 keer zo snel als de tot nu toe gangbare methode, en is bovendien goedkoper. En hoe heeft een tiener dit bereikt? Precies, door online te zoeken in wetenschappelijke tijdschriften en documentatie. Iets wat onmogelijk zou zijn, als alle wetenschappelijke kennis achter de paywalls van Elsevier en Informa verdwijnt.

Er zijn dus twee goede redenen om de monopolisering van wetenschap door commerciële uitgevers te bestrijden. Ten eerste omdat het effectief betekent dat een gemeenschappelijk goed, dat ook gemeenschappelijk betaald is, zomaar wordt toegeëigend door privé-firma’s, die bovendien een monopolierecht verwerven op het intellectueel eigendom (wat tenslotte alleen als monopolie bestaat). Ten tweede omdat het onbekende, ongeziene sociale kosten met zich meebrengt: namelijk de kosten van alle ontdekkingen, ideeën en wetenschappelijke ontwikkeling die mensen niet doen en niet doormaken omdat zij redelijkerwijs niet de exorbitante kosten van abonnementen op wetenschappelijke tijdschriften kunnen opbrengen. In een tijd waarin op ieder gebied het traditionele verhandelbare monopolie van het auteursrecht achterhaald wordt door de verbeterde technologie – denk aan het achterhoedegevecht dat RIAA, Stichting Brein enz. voeren om het online verspreiden van bestanden tegen te gaan – is een dergelijke politiek-economische constructie niet te verdedigen. Het wordt tijd dat publicatie in publiek toegankelijke tijdschriften, niet duurder dan men zou verwachten van een uitgave voor algemeen nut, standaard wordt.

1 reactie

Opgeslagen onder Economie, Wetenschap