Niemöller’s Genen

In reactie op het akelige incident waarbij een grensrechter is doodgeslagen door een paar jongeren na een voetbalwedstrijd ligt heel Nederland weer overhoop over een zogenaamd ‘Marokkanenprobleem’. Dat sociale en politieke problemen en hun oorzaken stelselmatig worden geanalyseerd in termen van groepsschuld is zo langzamerhand gangbaar geworden in Nederland, en valt bijna niemand meer op. Het heeft daarom vermoedelijk weinig zin om er nog eens op te wijzen dat groepsschuld niet bestaat, dat je iemand niet verantwoordelijk kunt houden voor de incidentele acties van iemand anders alleen omdat zij een bepaalde nationaliteit of afkomst gemeen hebben, en dat een ‘Marokkanenprobleem’ een volstrekte illusie is. Het is uitentreure bekend uit de criminologische statistiek dat Marokkaanse jongeren vaker dan men puur op basis van aantal zou verwachten in aanraking komen met de politie (wat dat ook moge betekenen), en een groter onderdeel vormen van de gevangenisbevolking dan proportioneel. Hetzelfde geldt voor Antilliaanse jongeren, wat dat betreft.

Overigens is dit grotendeels eenvoudigweg omdat deze zelfde groepen ook de meest achtergestelde, armste, en laagst opgeleide groepen zijn in Nederland. Zulke groepen zijn altijd en overal de relatief meest criminele van een gegeven land; dat is dus in het geheel niet specifiek een ‘Marokkanenprobleem’, gezien dat Marokkaanse immigranten in de VS bijvoorbeeld geen bijzondere probleemgroep zijn. Daarnaast is het nuttig er op te wijzen dat de voornaamste slachtoffers van de criminaliteit van arme bevolkingsgroepen andere arme mensen zijn, niet de ‘nette’ kleinburgerij in de buitenwijken die uit angstvalligheid Oom Geert erbij halen om de gemene jongens terug te sturen naar hun ‘eigen land’ waar ze alleen ooit op vakantie geweest zijn. Tenslotte nuttig er op te wijzen dat het meest recente onderzoek vaststelt dat “van de 166.599 Marokkaanse Nederlanders van 12 jaar en ouder worden 7.721 personen (4,6 procent) verdacht”; een oververtegenwoordiging, maar bepaald niet een enorm grote proportie van het bevolkingsdeel.(1)

Maar goed, dat alles is tot daar aan toe. Nog veel ernstiger wordt het beeld wanneer reactionaire types van klein-rechts zoals Joost Niemöller gaan lopen roepen dat er een genetische (c.q. raciale) oorsprong is in de vermeende massale criminaliteit van Marokkaanse Nederlanders. Dat bevolkingsgroepen als collectief worden aangesproken, dat daarmee het idee van burgerschap en de gelijkheid tussen de burgers wordt ondermijnd, dat er gemakshalve wordt genegeerd dat de demografisch sterkste oververtegenwoordiging in de misdaad de groep ‘mannen’ betreft (de overweldigende meerderheid van alle veroordeelde misdadigers) en toch niemand van een ‘mannenprobleem’ spreekt, dat hiermee alle incidenten worden verheven tot het niveau van een burgeroorlog in de geest, dat alles is nog te verwerken. Maar op het moment dat de Niemöllerianen er toe overgaan om ‘wetenschappelijk’ raciale theorieën te verspreiden, die in de gehele moderne geschiedenis de basis zijn geweest voor de grootste gruwelen van fascisme en imperialisme, slavernij en kolonialisme, en niemand dit vreemd lijkt te vinden, op dat moment is er in Nederland iets heel ernstigs gaande.

Het is daarom van het grootste belang nog eens kort uiteen te zetten hoezeer dergelijke theorieën op waanbeelden berusten. Ten eerste is het een totale illusie dat de moderne visie van de mensheid als verdeeld in rassen enige evolutionair-biologische basis heeft. Uit het onderzoek van Alan Templeton naar de genetische distributie onder 16 verschillende groepen in de gehele wereld blijkt dat de genetische verschillen tussen mensen voor 84.4% worden verklaard door individuele verschillen en slechts voor de overige 15.6% door groepsverschillen, dat wil zeggen, door verschillen voortkomend uit een bepaalde langdurige isolatie van een genetische subgroep van andere subgroepen binnen de soort. Dit is voor een zoogdier bijzonder laag.(2) Er zijn dan ook geen genetisch aanwijsbare ‘subsoorten’ van de mens te identificeren zoals dat met sommige dier- en plantensoorten zo is, en de genetische variatie die er bestaat uit zich ook in het geheel niet noodzakelijk in termen van de ‘rassen’ die nu doorgaans populair worden onderscheiden.

Daar komt nog bij dat het idee van de verdeling van de mensheid in rassen een identificeerbare geschiedenis heeft: het idee heeft zijn oorsprong in de 19e-eeuwse Europese behoefte om niet alleen de wereld wetenschappelijk te klassificeren, maar ook om dat op zodanige wijze te doen dat de inmiddels behaalde Europese voorsprong in productiviteit en technologie kon worden verklaard en verdedigd. Gedurende de gehele vroegmoderne en moderne geschiedenis heeft technologisch niveau en politieke organisatie gediend als maatstaf voor Europeanen om anderen te beoordelen, en de verdeling in hogere en lagere rassen met meer of minder potentieëel is slechts een recente ‘verharding’ van dit idee, dat in eerste instantie vooral in culturele en religieuze termen geuit werd.(3)

De huidige gangbare indeling in rassen is dan ook hoogst arbitrair en historisch: er bestaat de notie van een ‘zwart’ ras, al bestaat er vrijwel geen enkele specifieke genetische, culturele, of historische band die West-Afrikanen en Oost-Afrikanen meer bindt met elkaar dan met enige andere groep, en de categorie ‘Aziatisch’ betreft zoveel verschillende groepen dat het een evident Westers construct is. Ook kan men zich afvragen waarom we mensen indelen op deze basis, en niet bijvoorbeeld op de even erfelijke eigenschappen als haarkleur, oogkleur, lengte, en zo voorts. Bekend is ook dat in de oudheid er geen rassentheorie bestond, alleen noties over burgers versus barbaren, en in de Middeleeuwen was de indeling in termen van ‘het Christendom’ versus de heidenen; het hele idee van erfelijke incapaciteit is een product van de opkomst van Europa (en haar nederzettingen) als het hegemonische continent. Deze raciale theorieën zijn vaak systematiseringen van de vooroordelen jegens vreemde groepen, inclusief migranten, die in de oudheid al gangbaar waren, maar niet de essentialistische vorm aannamen die de rassenleer zo veel gevaarlijker nog maakt dan ‘gewone’ xenofobie al is.(4) Het is dan ook een weinig verrassende ontwikkeling dat de Niemöllerianen die herintroduceren in het Nederlands discours.

Er bestaan ook allerlei raciale theorieën over het IQ van verschillende ‘rassen’ en hun leervermogens, om de notie te ondersteunen dat bepaalde rassen eenvoudigweg intelligenter zijn dan andere en dus ‘dat het daar allemaal door komt’. Ik heb hierover eerder uitgebreid geschreven in het Engels, en zal dit niet allemaal herhalen. Kort samengevat komt het er op neer dat er ten eerste geen serieuze overeenkomst is tussen IQ-meting en intelligentie, al was het alleen maar vanwege het Flynn-effect, dat demonstreert dat IQ-scores vanzelf in de loop van de tijd toenemen en daarom voortdurend opnieuw geijkt moeten worden; ten tweede, dat in bloedtests tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ mensen de zwarte bevolking met meer Europese voorouders en dus meer Europese genen niet beter scoorden op IQ-tests dan de zwarte bevolking met minder ‘witte’ genen; verder dat IQ-tests veelal een culturele of intellectuele capaciteit meten die niets te maken heeft met intelligentie, maar alles met in hoeverre je cultureel deel uitmaakt van het wereldbeeld en vocabulaire van de ‘witte’ meerderheid, zoals bleek uit tests waarin witte mensen het beduidend beter deden in bestaande woordkennis, maar er geen verschil was in vermogen woorden te leren; en tenslotte dat de ‘priming’ (dat wil zeggen de deelnemers de relevante categorisering zelf laten invullen, bijvoorbeeld ras, nationaliteit, of gender) van dergelijke tests op basis van ras zelf al een negatief effect heeft op de ‘prestaties’ van historisch onderdrukte groepen, om psychologische redenen.

We kunnen hier eenvoudig een Nederlands onderzoek citeren:

“In this rejoinder, we respond to comments by Lynn, Rushton, and Templer on our previous paper in which we criticized the use of national IQs in studies of evolutionary theories of race differences in intelligence. We reiterate that because of the Flynn Effect and psychometric issues, national IQs cannot be taken to reflect populations’ levels of g as fixed since the last ice age. We argue that the socio-cultural achievements of peoples of Mesopotamia and Egypt in 3000 B.C. stand in stark contrast to the current low level of national IQ of peoples of Iraq and Egypt and that these ancient achievements appear to contradict evolutionary accounts of differences in national IQ. We argue that race differences in brain size, even if these were entirely of genetic origin, leave unexplained 91–95% of the black-white IQ gap. We highlight additional problems with hypotheses raised by Rushton and Templer. National IQs cannot be viewed solely in evolutionary terms but should be considered in light of global differences in socio-economic development, the causes of which are unknown.”

(5)

Kortom, de genetische theorieën van Niemöller zijn niets anders dan een wanhopige poging om vooroordelen en kleinburgerlijke angst voor het vreemde aan te kleden in wetenschappelijke terminologie. Dat zal niet lukken. Het is te hopen voor de familie van Niemöller en voor Nederlands klein-rechts dat racisme en xenofobie zelf ook niet erfelijk zijn, anders ziet het er voor mijn geboorteland in de toekomst niet goed uit. Vooralsnog, echter, blijft het zogenaamde ‘Marokkanenprobleem’ een kwestie van socio-economische factoren en socializering van bepaalde clusters individuen, niet een kwestie van rassen of de genen van hele bevolkingsdelen. En dat is maar goed ook, want ik durf niet veel goeds te voorspellen over de erfelijke intelligentie en aanleg voor misdaad van de Niemöllerianen als het anders zou zijn.

1) http://www.wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/doc/overlast_mn_jongeren/onderzoek/marokkaanse-nederlanders-2012.pdf
2) Alan Templeton, “The Genetic and Evolutionary Significance of Human Races”, in: Jefferson Fish (ed.), Race and Intelligence: Separating Science from Myth (Mahwah, NJ 2002), p. 36.
3) Zie bv. Michael Adas, Machines as the Measure of Men: Science, Technology, and Ideas of Western Dominance (Ithaca, NY 1990).
4) Zie bv. Benjamin Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity (Princeton, NJ 2006); Erich Gruen, Rethinking the Other in Antiquity (Princeton, NJ 2010).
5) http://wicherts.socsci.uva.nl/wichertsPAIDrejoinder.pdf

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Wetenschap

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s