Op Cyprus: Een crisisanalyse

De run op de banken in Cyprus is het grootste nieuws van de dag. Zoals eigenlijk overal in Europa, maar in het bijzonder in Zuid-Europa, zijn de banken op (Grieks-)Cyprus failliet. Maar dit faillissement, zoals alles wat de financiële sector betreft, is evenzeer psychologisch als het reëel is – zolang een bank geloofd wordt kredietwaardig te zijn maakt het niet veel uit hoeveel liquide middelen de bank werkelijk bezit, maar zodra deze kredietwaardigheid wordt aangetast door externe of interne factoren is het gedaan. Die factoren hoeven helemaal niet direct met de gegeven bank te maken te hebben. Vaak gaat het om grotere, meer indirecte problemen, zoals een kelderende economie in het betreffende land, een verwachting van non-kredietwaardigheid bij andere instellingen waar de bank qua risico aan blootgesteld is, of de overtuiging dat de banken van het betreffende land eenvoudigweg de zwakste schakel zijn.

De Europese monetaire unie en het IMF zijn er echter op gebrand om geen enkele bank werkelijk failliet te laten gaan. Iedere failliete bank betekent niet alleen kapitaalvernietiging, maar tast verder de geloofwaardigheid van andere banken aan, verergert de positie van de crediteuren, en veroorzaakt zo (zo meent men) een domino-effect. Maar een serieuze globale economische crisis functioneert voor iedere individuele bank, hoe groot deze ook mag lijken, als zo’n grootschalige gebeurtenis dat het effectief een grote externe schok is. Om dan een bank overeind te houden is alleen mogelijk door ofwel een hoop geld in de bank te pompen in de hoop dat de nieuwe liquiditeit de zaak draaiende houdt totdat de crisis voorbijgaat en de investeringscyclus weer op gang komt, al was het maar om psychologische redenen (zoals Keynes verwachtte), ofwel de crediteuren te benadelen en eenvoudigweg een gedeeltelijk bankroet te verklaren, maar hopen dat de crediteuren genoegen nemen met tenminste een deel van hun geld terug te krijgen en dus geen verdere negatieve investeringsacties ondernemen. In de meeste gevallen tot nu toe, in het bijzonder in Griekenland, heeft men gekozen voor beide opties.

Oorzaken van de crisis

Maar hoe het ook moge zijn, de rekening van de effecten van de economische crisis moeten worden betaald. Men kan niet ongestraft honderden miljarden in nieuwe liquide middelen loslaten zonder dat deze gedekt zijn door werkelijke waarde. De Keynesiaanse hoop is dat deze waarde vanzelf ontstaat doordat de impuls tot een nieuwe opleving van investeringen en productie zal leiden, waarmee als het ware retroactief de maatregel zichzelf betaalt. Maar zo eenvoudig is het niet. Radicale economen zoals Andrew Kliman hebben er al op gewezen dat de oorsprong van de huidige crisis onder andere te vinden is in de opeenstapeling van schulden en ‘fictief kapitaal’, dat wil zeggen speculatieve inflatie in onroerend goed, aandelen, of derivatieven die niet gedekt wordt door enige toename in werkelijke productie of investeringen.

Deze opeenstapeling is op zijn beurt weer de reactie op een langdurige trend (wat economen een ‘seculiere trend’ noemen, d.w.z. één die effect heeft ongeacht het op-en-neer van korte termijn-cycli): het afnemen in de wereldeconomie, en wel in het bijzonder in de Westerse economieën, van winstgevende mogelijkheden tot het investeren van nieuw kapitaal. Hoewel de groei in landen als China en Brazilië dit temperen, is er al sinds de jaren ’70 een voortdurend afnemende wereldwijde economische groei waarneembaar, en hoewel dit niet volledig een accurate maatstaf is, is het een bevestigende indicatie. Dit verklaart dan ook waarom de honderden miljaren die de Amerikaanse en Europese centrale banken (en ook Japan) in hun economieën gepompt hebben, niet het minste effect hebben weten te sorteren wat betreft een herleving van het investeringsklimaat. Dit gaat in tegen de Keynesiaanse verwachtingen, zeker aangezien de werkloosheid hoog is en industriële productie behoorlijk onder capaciteit is, maar het is niettemin evident waarneembaar.

Kapitaalvernietiging als economisch herstel

Kliman, en de andere radicale economen met hem, wijst er dan ook op dat in eerdere crises het wereldwijde kapitalisme zich alleen heeft kunnen herstellen van een afname van de winstratio – dat wil zeggen, de ratio van de winst tot een gegeven investering gemeten naar het moment dat de investering ‘gerealiseerd’ wordt – door een grootschalige vernietiging van waarde. De Tweede Wereldoorlog is een goed voorbeeld; hoewel het ergste van de Grote Depressie al voorbij was tegen eind jaren ’30, begon de enorme boom-periode van de wereldeconomie pas in de jaren ’50, en hield twee decennia aan. Maar dergelijke kapitaalvernieting is een erg letterlijke: dit kan ook anders gebeuren. In de 19e eeuw was het gangbare proces om eenvoudigweg vele grote firma’s failliet te laten gaan, met alle gevolgen van dien, en dit zag men tijdens de Grote Depressie ook. De werkloosheid loopt op, alle waarde van de betreffende firma’s en van de aandelenmarkten die er uiteindelijk van afhankelijk zijn gaat grotendeels in rook op, en de restanten worden door de overlevende firma’s opgekocht voor een appel en een ei. Schumpeter’s ‘creatieve vernietiging’ in actie!

Hoe vreemd het ook moge klinken, als het totaal aan kapitaalwaarde enorm afneemt, de winstratio ten opzichte ervan dus stijgt, herstelt de kapitalistische economie zich van haar crisis – des te meer omdat het verdwijnen van veel concurrenten en de enorme verzwakking van de positie van de arbeid het perspectief voor nieuwe investeringen ineens er veel beter uit laat zien. Dit klinkt in ieder opzicht geheel tegen de intuïtie in. En terecht – maar dit is het onontkoombare gevolg van een fenomeeen dat historisch uniek is aan het kapitalisme, en in ieder opzicht de enorme contradicties en de sociale tegenstelling in de sociale relaties van dit systeem laat zien: het feit dat iedere kapitalistische crisis in de kern het gevolg is van overproductie.

In geen enkel ander sociaal systeem is zoiets denkbaar: je zou normaliter zeggen, meer spullen, dan is iedereen beter af, toch? In de meeste historische maatschappijen was het voornaamste probleem een gebrek aan productie, niet een teveel. Maar omdat in het kapitalisme het uiteindelijke doel accumulatie is, en de maatstaf van accumulatie winst is, is het volstrekt irrelevant of de menselijke behoeften beter of slechter kunnen worden voldaan met meer of minder productie. Het enige wat er toe doet is wat de winstratio is: en als er een enorme ophoping van kapitaal is, zowel in goederen als in liquide en financiële middelen, en de investeringsmogelijkheden nemen niet navenant toe door externe omstandigheden, dan zal vroeger of later onvermijdelijk de winsratio dalen. Tenslotte, als je een ratio hebt X/Y, en Y neemt alsmaar toe terwijl X gelijk blijft of daalt, dan neemt vroeger of later de ratio af. Dit is een mathematische onverbiddelijkheid, die de kapitalistische maatschappij, altijd, overal, in haar greep heeft.

Politieke gevolgen

Wat heeft dit alles nu met Cyprus te maken? Twee dingen. Ten eerste, dat de regeringen hun les hebben geleerd van de Grote Depressie in politiek opzicht. Dat wil zeggen, de oude methode van Andrew Carnegie (‘liquidatie, liquidatie, liquidatie’) is niet politiek haalbaar meer. Men kan inderdaad de crisis haar volledige koers laten varen, en de zaak uitzitten totdat er zoveel kapitaalvernietiging is opgetreden dat de winstratio zich hersteld heeft. Economisch is dit mogelijk, en de ultra-liberale vrije markt-ridders stellen dan ook meestal een dergelijke koers voor. Maar politiek is het een ander verhaal. Want als we onze blik afwenden van het mysterieuze fenomeen ‘kapitaal’, en kijken naar wat er gebeurt met de werkende bevolking die dit alles mogelijk maakt, is het een tragisch schouwspel. De werkloosheid neemt enorm toe, de levensstandaard neemt af, arbeidscompetitie wordt bijzonder intens, mensen trekken zich terug op het platteland om zich zelf in leven te houden of worden afhankelijk van voedselbanken, en vanzelfsprekend radicaliseert het klimaat zich politiek, zowel links als rechts. Dit is de ervaring van de Grote Depressie, en vrijwel alle historici zijn het er over eens dat er een directe lijn is van deze ervaring naar die van de Tweede Wereldoorlog.

Politieke radicalisering wordt door de regeringen en heersende instituties van alle Westerse landen enorm gevreesd, om evidente redenen; waarbij men niet moet vergeten dat de Europese Centrale Bank effectief een Duits instituut is. Het is om de politieke gevolgen van de crisis af te wenden, niet de economische, dat alle reddingspogingen en noodmaatregelen genomen worden. Maar dit brengt ons bij het punt: wie zal deze betalen? Gedeeltelijk gebeurt dat nu overal in Europa door het beleid van bezuinigingen en austerity, hetgeen op niets anders neerkomt dan om diezelfde werkende bevolking te laten opdraaien voor wat het kost om de poppenkast overeind te houden. Gedeeltelijk gebeurt het door kortingen op de crediteuren en partiële bankroetverklaringen zoals de zogenaamde ‘haircut‘ – maar hierbij worden de grote crediteuren en investeerders zoveel mogelijk gespaard, omdat van hen de economische herleving verwacht wordt, en komt de rekening dus vooral bij de ‘kleine spaarders’ in Noord-Europa en bij kleinere banken, pensioenfondsen, gemeentelijke investeringsfondsen, en zo verder. In het geval van Cyprus wordt dit nu voor het eerst met het blote oog waarneembaar, door de tot voor kort onvoorstelbare maatregel, níet de staatsobligatiehouders of de bank-aandeelhouders te korten, maar de houders van de spaarrekeningen en deposito’s op de banken zelf. Het geld wordt dus onmiddelijk uit de gewone bankrekeningen gehaald. Ook hier is dus een duidelijk regressieve verschuiving van geld waarneembaar.

Schijnoplossingen

Tenslotte echter bestaat het grootste gedeelte van de honderden miljarden aan noodfondsen eenvoudigweg uit verdere opstapelingen van schulden, met andere woorden, het creëren van méér fictief kapitaal en meer betalingen die door toekomstige investeringen en productie gedekt zullen moeten worden. Met iedere reddingspoging wordt het dus minder en minder waarschijnlijk dat deze schulden werkelijk gedekt zullen zijn. Hier zit hem de ironie van het internationale crisisbeleid: om een crisis te bestrijden, die zich voordoet als een implosie van gigantische hoeveelheden ongedekte schulden en speculatieve, fictieve opeenstapelingen van kapitaal, creëert men… méér ongedekte schulden en méér speculatief kapitaal! Maar zoals de radicale economen laten zien, zal dit de zaak niet redden. Zelfs als op Keynesiaanse wijze door de psychologische impuls van al het nieuwe geld de investeringen weer op gang komen, zal de financiëel-speculatieve bel alleen nog maar opgeblazen worden tot nog grotere proporties dan het geval was vóór de huidige crisis. Het onvermijdelijke gevolg is dan dat deze bel op den duur ook spat, en een crisis veroorzaakt die nog erger en dieper is dan de huidige. De enige mogelijkheid voor een meer structureel herstel is als de winstratio zich herstelt, en dat kan alleen door het tegenovergestelde: grootschalige kapitaalvernietiging, niet grootschalige kapitaalschepping. Maar dat brengt dan ook weer dezelfde consequenties met zich mee: werkloosheid, armoede, tekorten, competitie, chaos, oorlog. Een zo mogelijk nog minder rooskleurig perspectief.

De Europese politieke discussie wordt tot nu toe vooral gevoerd door voorstanders van ofwel de eerste, ofwel de tweede optie; de sociaal-democraten en de conservatieven willen vooral de eerste, de liberale vooral het tweede, en in ieder geval lijkt men te hebben gekozen voor ‘een beetje van beide’. Kortom, een bijna Nederlands aandoende schijnoplossing die vooral als oogmerk heeft de grote investeerders en crediteuren buiten schot te houden en verder de zaak zo lang mogelijk te rekken totdat als deus ex machina een werkelijke oplossing zich voordoet. Maar er is geen ontkomen aan de noodzaak ofwel het een, ofwel het ander te doen, en beide oplossingen zijn economisch èn sociaal onaanvaardbaar. Dit komt ons in het Westen vreemd voor, en vandaar de woede en verbijstering bij velen. Tenslotte heeft de wereldeconomie al zo lang grotendeels in ons voordeel gedraaid. Maar voor mensen in andere delen van de wereld zijn de valse keuzes die ons systeem hen voorschotelt vaste koek: men hoeft slechts te denken aan de keuze tussen kinderarbeid en kinderprostitutie, of tussen het leveren van werkgelegenheid (bv. door mijnbouw of industrie) en het sparen van het milieu en bestaande gemeenschappen. Of de keuze tussen hongerdood op het platteland of onafzienbare, geïsoleerde arbeid in de steden. Onze keuze, tussen uitstellen van de gevolgen met het risico op een ergere terugkeer of het laten uitwoekeren van de crisis met alle sociale crisis van dien, heeft nog het meest iets weg van die van een patiënt met een ernstige infectie. In zo’n geval zeg je dan ook: welke optie je ook kiest, het probleem zit hem in de keuze zelf, dus in de ziekte. Zo is het ook met ons systeem: het probleem is niet optie A of optie B, het probleem is de noodzaak van de keuze zelf. Misschien is het tijd dat we ons daar op richten.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Economie

Een Reactie op “Op Cyprus: Een crisisanalyse

  1. Schaakmat dus . Zelf denk ik dat we economisch op een historisch keerpunt zitten. Dat economische riedels als werkgelegenheid en economische groei zijn langste tijd hebben gehad.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s