Boekrecensie: Leo Molenaar, “Nooit op de Knieën: Marcus Bakker (1923-2009)”

Leo Molenaar’s biografie van Marcus Bakker, lange tijd nummer 2 en publiek gezicht van de Communistische Partij Nederland (CPN), is een boeiende, integere en sympathieke bespreking van ’s mans leven en werk. Hoewel de verschillende recensies sinds het boek vorig jaar uitkwam twijfels uitten over het vermogen van een voormalig CPN-bestuurslid (Molenaar was in de partijleiding begin jaren ’80) om een eerlijke biografie van een CPN-coryfee te schrijven, geeft het resultaat geen aanleiding tot wantrouwen. Integendeel, de grote meerwaarde van deze biografie zit niet zozeer in de soms wat hoekige stijl of de niet altijd heldere structuur. Ook is het niet zonder gekke fouten: bijvoorbeeld denkt Molenaar dat Dachau in Polen ligt.

Maar het grote pluspunt is de contextualisering en het empatisch vermogen. Molenaar beschrijft niet alleen Bakker’s denken en doen, maar probeert de lezer ook te laten begrijpen waarom zulks denken en doen indertijd juist en gerechtvaardigd kon zijn (of lijken) voor de CPN en haar aanhang. Hoewel er vele overzichten zijn van het historisch communisme, inclusief enkele werken over het communisme in Nederland en de CPN in het bijzonder, zijn die veelal geschreven door verklaard tegenstanders dan wel teleurgestelde ex-aanhangers, en dat leidt vaak tot een toon die doet denken aan wat E.P. Thompson fameus omschreef als “de enorme neerbuigendheid van het nageslacht”. Daar is bij Molenaar geen sprake van, en dat doet het werk alleen maar goed.

Het werk is verdeeld in chronologische volgorde in de voornaamste politieke perioden van Bakker’s leven. Het begint met zijn jeugd in Zaandam, waar hij opgroeide in een SDAP-milieu en meer belangstelling had voor literatuurstudie dan voor politiek. Je krijgt de indruk dat als de oorlog niet had plaatsgevonden, er een goede kans is dat Marcus Bakker een bekwame maar anderszins onopmerkelijke hoogleraar Nederlandse of Engelse taal- en letterkunde zou zijn geworden. Zijn leven lang bleef hij literatuur waarderen, ook buiten de ‘officiële’ canon van de door communisten aangeprezen auteurs, en niet in de laatste plaats juist de Engelstalige, zoals Britse en Amerikaanse thrillers en detectives. Zijn familie was arm, maar behoorde niet tot de allerarmsten. Eerder behoorden zij tot de bovenlaag van de industriële arbeiders. De familie in brede zin, allen afkomstig uit de Zaanstreek, werkten veelal bij de scheepswerven en slachtbanken, maar vader Bakker werkte als administrateur en was actief voor de SDAP in de gemeenteraad.

Het was de oorlog die Bakker tot communist maakte. Eigenlijk vooral, krijg je de indruk, omdat de CPN het meest actief was voor het verzet in de Zaanstreek, en niet zozeer door de aantrekkingskracht van haar idealen. Eenmaal binnen de CPN, echter, vond Bakker de integratie in een nieuwe kring van politiek radicale en bewuste bedrijfsarbeiders een hele openbaring. Al gouw werd hij ingeschakeld om naast zijn werk als contactpersoon binnen het verzet ook de officiële partijleer uit te leggen aan de leden, iets wat bij hem de redenaarstalenten opwekte die hij zijn leven lang behouden zou. De naoorlogse situatie was echter veel moeilijker. In Nederland begon de Koude Oorlog al vroeg: Molenaar maakt in het boek verrassend duidelijk hoe sterk het Koude Oorlogsdenken en het anticommunisme als leidraad in 1946 al de kop op stak, onder andere met het snelle Berufsverbot op CPN-lidmaatschap of -belangstelling voor ambtenaren en het actieve werk van de geheime dienst, de BVD, die onder directie van de half-collaborateur Einthoven was geplaatst.

Molenaar besteedt terecht veel aandacht aan de ingewikkelde verhouding tussen Bakker, de partijleider Paul de Groot, en de situatie van de CPN op internationaal gebied. Bakker was snel onder de indruk geraakt van de kennis en het charisma van De Groot en volgde die daarom in de slaafse koers van de CPN, alles te doen en na te zeggen wat Moskou van hen verlangde. Het eerste decennium na de oorlog was dan ook Bakker’s minst glorierijke periode: gedurende deze tijd werkte hij onder andere mee aan een paranoïde jacht op vermeende “Titoïsten” en steunde hij De Groot in een aantal partijbotsingen, waarbij splitsingen optraden. In het bijzonder vaak wordt de affaire-Wagenaar aangehaald, zelfs nog in de recensies van deze biografie. Wagenaar en De Groot hadden ruzie gekregen over de rol van de vakbond, en hierop besloot De Groot een onderzoek te laten publiceren over het oorlogsverleden van Wagenaar, met de bedoeling de laatste zwart te maken. Lange tijd hebben velen dat Bakker verweten, in het bijzonder de laatste CPN-generatie in de jaren ’80, die het als illustratief beschouwden voor de ‘Stalinistische methoden’ die toen in de CPN gangbaar waren.

Zoals Molenaar echter kan aantonen, zat de zaak in werkelijkheid ingewikkelder. Wagenaar had enkele jaren eerder De Groot zelf aangevallen op zijn oorlogsverleden, en diens onderduikperiode als ‘desertie’ opgevat. De Groot, die vrouw en kind in Auschwitz verloor en zelf maar ternauwernood ontsnapte, en vrijwel zeker zijn leven lang leed aan wat wij nu als oorlogstrauma zouden herkennen, had dit kennelijk onthouden en wraak genomen. Zo blijkt ook dat het infameuze rapport in kwestie, “De CPN in Oorlogstijd” (spottend het Rode Boekje genoemd), in werkelijkheid door De Groot en niet door Bakker geschreven was. Maar Bakker nam verantwoordelijkheid voor de publicatie en gaf dat ook later nooit op, iets wat zijn idee van partijloyaliteit kenschetst.

Molenaar doet in het boek zijn best de standpunten van de CPN uiteen te zetten met een voortdurend oog voor de internationale situatie, bijvoorbeeld de kernwapenwedloop, de vele aggressieve handelingen van de kant van de NAVO, de voortdurende repressie en spionage jegens CPN-leden, en gebeurtenissen zoals de door de VS aangemoedigde massamoord op progressieven in Indonesië of de Viëtnamoorlog. Tegelijkertijd is het duidelijk dat de CPN nooit echt een succes is geworden. Hoewel na een periode als eindredacteur van De Waarheid Bakker echt tot zijn recht kwam als Kamerlid en woordvoerder van de CPN, wist de partij als organisatie nooit echt stabiel of invloedrijk te worden op het Nederlandse toneel, zoals dat in Frankrijk en Italië wel lukte. Molenaar geeft weinig antwoord op de vraag waarom dat is, misschien ook omdat het tenslotte om Bakker gaat en niet om de CPN als zodanig; voor een dergelijke vraag is het misschien beter de geschiedenis van de CPN door Ger Verrips te raadplegen (Dwars, Duivels en Dromend, 1995).

Maar het is helder dat naarmate Bakker persoonlijk, door zijn spreekvermogen, energie, en opmerkelijke betrokkenheid bij de parlementaire democratie aan populariteit won, hetzelfde niet gold voor de CPN als zodanig. Mede debet hieraan waren de vele koerswendingen die de partij onder De Groot doorvoerde: van loyale Moskougangers tot China-sympathisanten, dan weer als ‘onafhankelijke communisten’ met een vooral binnenlandse belangstelling, dan weer – in een laatste poging van De Groot de macht in de partij weer terug te veroveren via zijn contacten in den vreemde – als buiksprekers van Brezhnev.

Bakker’s positie als Kamerlid gaf hem veel vrijheid, ook omdat De Groot wegens trauma veel afwezig was, zodat hijzelf een meer vrije en ‘Eurocommunistische’ politiek kon bezigen. Zo was Bakker ook politiek af en toe doorslaggevend: Molenaar wijst op zijn bijdrage bij het tweemaal verhinderen dat de Nederlandse democratie aan een districtenstelsel zou worden opgeofferd, en ook is de fameuze formulering van Artikel 1 van de Grondwet van 1983, de unieke opening met een nondiscriminatiebeginsel, van Bakker’s hand. Verder steunde Bakker, tegen de stereotypen van de ‘gestaalde kaders’ in, de studentenbeweging van de jaren ’60 en ’70 en was hij later (als vast hetero) een medeorganisator van de homorechtenbeweging, onder andere via de Stichting Homomonument.

Maar de generatie die in de jaren ’70 bij de CPN kwam, in het vaarwater van de culturele revolutie van die tijd, had weinig begrip voor de nog steeds op de oorlogservaring en de Sovjetloyaliteit geënte houding van de CPN. Met hun aantreden werd de CPN al snel meer en meer een linkse partij zonder uitgesproken Marxistische (laat staan Leninistische) verwachtingen, en daarmee verloor de CPN zowel haar zetels als het bestaansrecht. Toen een commissie werd ingesteld die hem beschuldigde van onrecht inzake de kwestie-Wagenaar, weigerde Bakker zich te verdedigen met het risico de twee partijgeneraties te verdelen. Wel gaf hij zijn partijposities op.

Toen de CPN uiteindelijk zichzelf ophief om deel van GroenLinks te worden, lijkt hij dit maar een klein verlies te hebben gevonden, al gaf hij zijn GL-lidmaatschap al snel op vanwege de steun voor het NAVO-bombardement op Kosovo. In zijn laatste jaren was hij ondanks Parkinson nog een graag geziene gast bij retrospectieven over de CPN, waarbij hij zijn waardigheid en integriteit behield en niet meedeed met het genre van ex-communistische minachting voor de daden van het verleden. Integendeel, hij bleef de CPN en haar bestaan waarderen, hoewel hij zich privé in toenemende mate boos maakte over de vele onthullingen van de wijze, waarop de Sovjetunie en verwante regeringen hun niet altijd frisse geschiedenis voor de sympathisanten in het Westen hadden verhuld. Dat dit alles gecombineerd kon en kan worden met een grote integriteit en een passie voor democratie toonde hij in zijn vele Kamerdebatten en in de interventies in tijdschriften als Politiek & Cultuur. Zijn bijdragen riepen uiteindelijk zelfs bij de politieke oppositie, die in wezen uit alle andere partijen bestond, zodanige waardering op dat hij een vergaderzaal in de Tweede Kamer naar zich vernoemd kreeg, een unicum voor een toen nog levende politicus.

Wat uiteindelijk de biografie zo interessant maakt is niet eens de sympathieke schets van Bakker zelf. Belangrijker dan dat is het feit dat Molenaar er in slaagt een historisch verslag te doen van een opmerkelijk figuur in het 20-eeuwse communisme dat geschraagd wordt door een duidelijke contextualisering van de beslissingen en het wereldbeeld van die tijd, zodat het niet een typische jeremiade of snerende veroordeling is, maar een poging tot inzicht en begrip. Hoewel men zou denken dat dergelijke historisering een basisprincipe is van de geschiedschrijving, valt het nog altijd bij velen moeilijk om dat ook op de communisten toe te passen: zo blijkt wel weer uit de recensies op het boek, waarin Molenaar nota bene in de Groene Amsterdammer wordt verweten een ‘Stalinist’ te zijn en waar de meeste recensenten eigenlijk niet verder komen dan verontwaardiging over het idee dat zo’n empatische blik mogelijk is.

Toch is het boek bepaald geen hagiografie, en zo hoort dat ook. Zelf twijfelde Bakker aan de mogelijkheid dat een ‘officiële’ geschiedenis van de communistische partijen mogelijk of wenselijk was, en in een interessante beschouwing opgenomen aan het eind van het boek overwoog hij of de vele zwenkingen en zigzaggen van het Marxisme in de 20e eeuw niet zelf een voorbeeld waren van langzaam rijpend historisch inzicht. Wat Molenaar’s boek vooral laat zien is dat zulk inzicht, gespeend van minachting of excessieve parti pris maar bewust van de diabolische dilemma’s die de duistere vorige eeuw opriepen, nog steeds hard nodig is.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Uncategorized

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s