Categorie archief: Wetenschap

Niemöller Redux

Burger Niemöller, met wie ik het al eens eerder aan de stok had, is zich weer eens te buiten gegaan aan een racistische tirade met het oogmerk te onderstrepen hoe kwalijk de zogenaamde massa-immigratie voor Nederland wel niet is. Hij lijkt zich dit keer bijzonder bewust te zijn van de rassentheoretische grondslag van zijn opmerkingen, want het hele artikel probeert van meet af aan de beschulding van racisme af te wimpelen door er juist op te wijzen, zodat het een overbodige en reeds voorziene kritiek zal lijken. In de literatuur over genre-fictie heet zoiets een lampenkap ophangen: men neemt iets wat binnen het verhaal storend of weinig plausibel is – meestal omdat de schrijver geen andere oplossing kan vinden – maar om de aandacht van de lezer niet te verliezen, besluit de schrijven het fenomeen in kwestie juist onder de aandacht te brengen: zo denkt de lezer ‘ha, dat heb ik dus goed gezien’ en vergeet het verder, zodat het plot gewoon door kan gaan. Zo is het met Niemöller’s racisme, en wat dat betreft met het rassendenken van vele nieuwrechts-figuren. Juist door van tevoren aan te geven dat hun critici hen terecht racisme zullen verwijten, hopen ze het effect van die beschuldiging te vermijden. Dit is des te kwalijker omdat zo al doende het sociale stigma van racisme ook inderdaad af zal nemen, zoals het dat in Nederland al lange tijd doet, en dat leidt alleen maar tot nog meer Niemöllers. Oppassen dus.

Toch is het inzoverre juist dat uitsluitend een betoog voor racistisch uitmaken niet een adequate reactie is. Des te meer wanneer Niemöller weer eens zijn professorsstem opzet en ons een ‘wetenschappelijk’ betoog voorschotelt, ongeveer net zo serieus als de witte labjas van de ‘expert’ in de wasmiddelreclame. In dit geval betreft het het ontslag van een medewerker van het Amerikaanse Heritage-Instituut, die werd verwijderd nadat bleek dat hij, nota bene aan Harvard, gepromoveerd was op een betoog over het schrikbarend lage IQ van recente migranten naar de Verenigde Staten. Nu is het Heritage-Instituut ongeveer zo progressief als de SGP in Nederland, dus je zou verwachten dat dat Niemöller aan het denken zet. Maar dat vindt hij een pijnlijke bezigheid, dus in plaats daarvan roept hij moord en brand over de samenzwering om de waarheid over immigratie te verbergen. Als iemand gepromoveerd is aan Harvard kan het je vergeven worden dat je zou denken dat er toch wel iets in moet zitten. Laat ik dat meteen vooropstellen: dat is niet het geval. Tenslotte is Harvard ook de instelling waar de pop-economisch historicus Niall Ferguson een professoraat bezit, zodat hij recent mocht verkondigen dat Keynes ongelijk had in economisch denken omdat hij teveel achter de jongens aanzat en dus niet aan de toekomst dacht. Zo clownesk kan het daar dus zijn. Daarnaast zit er een luchtje aan de hele promotie: zo wilde niemand in de examencommissie er positief op reageren. Maar enfin, laten we het laten zoals het is; we gaan er van uit dat promoties niet zomaar worden uitgedeeld.

Wat blijft er dan staan van Niemöller’s verhaal? Allereerst, een bewering dat de tegenstanders van immigratie (zelf een wat vreemd concept) altijd met cijfers komen, en de voorstanders er nooit iets over zeggen. Dat is sowieso lariekoek. Niemöller mag graag naar Wikipedia-pagina’s verwijzen om ons te vertellen dat er ‘een literatuur’ bestaat over zijn favoriete rassenstokpaardje: laat ik dan ook een eenvoudige link gebruiken om te wijzen op ‘een literatuur’ over de economische bijdragen van immigratie. Zo pluk ik een willekeurige recente studie in The Economic Journal (Nov. 2005) over de effecten van immigratie op Britse economische statistieken zoals werkgelegenheid en lonen, het soort zaken waar de ‘linkse’ Niemöller zich graag zorgen om maakt. Netto resultaat: helemaal niets. Eenvoudigweg geen statistisch significant resultaat. Dit is natuurlijk maar één voorbeeld: er zijn honderden, zoniet duizenden studies over dit onderwerp, inclusief een aardig aantal meta-studies. Het is een van de meest bestudeerde onderwerpen in de recente arbeidseconomie. Maar daar horen we Niemöller niet over, want dat komt hem niet uit.

Verder dus. Hij schrijft ons verder, in een hautaine paragraaf in het midden, zo op de toon van ‘dat wisten wij toch allang’, het volgende: “Met andere woorden: IQ is een statistische ‘constructie’. Het meet mentale mogelijkheden, ook wel intelligentie genoemd. (Oké, dat is feitelijk niet helemaal hetzelfde.) Het gemiddelde IQ van immigranten in de VS ligt substantieel lager dan dat van de blanke bevolking in de VS. En dat verschil zal ‘verschillende generaties’ blijven.” Vervolgens, verbluffend maar waar, concludeert hij hieruit dit: “Dat is de beklemmende realiteit van deze dag, waarin het mooie land dat de VS heet, wordt overspoeld met mensen die het omlaag gaan trekken naar een armoedige, criminele chaostaat. Een beetje zoals de trotse industriestad Detroit ten onder ging toen de ‘Afro-Amerikanen’ er het bewind overnamen.”

Je moet wel lef hebben, en dat heeft iemand die met dergelijke redeneringen het tot redacteur van HP/De Tijd geschopt heeft zeker. Ten eerste, zoals ik al eerder aan dezelfde Niemöller meermalen uitgelegd heb, is IQ inderdaad een ‘statistische constructie’. Sterker nog, het is oorspronkelijk ontworpen om gradaties van mentale handicaps te meten, en enig ander legitiem doel heeft het nooit gehad. Er is geen sluitende causale noch statistische relatie tussen IQ en intelligentie. Dat weet Niemöller inmiddels ook: zijn slechte geweten is nog net eerlijk genoeg om dat, zij het tussen haakjes, toe te voegen. Maar dat maakt nogal wat uit! Zelfs al zou het zo zijn dat migranten een lager gemeten IQ hebben, totdat we weten waar dat door komt, wat dat feitelijk betekent (bijvoorbeeld een test die de verkeerde vragen stelt, of niet begrepen wordt), laat staat wat dat met intelligentie te maken heeft, kan Niemöller’s betoog over hoe immigratie ons tot armoede en chaos brengt niet werken. Dat is net zoiets als in paniek vaststellen dat er in Nederland minder kerstbomen verkocht worden – een Niemöller zou er meteen de ondergang van onze cultuur in zien, terwijl misschien mensen wel gewoon minder te besteden hebben. Het zou onze schijnsocioloog sieren als hij statistiek eens serieus zou nemen. Over de problemen met IQ-tests en de banden met intelligentiemeting heb ik al eerder geschreven: zie de link bovenaan, evenals elders ook (Engelstalig).

Veel ernstiger is de boude bewering dat de stad Detroit ten onder ging toen de Afro-Amerikanen er het bewind over namen. Hoe durft hij! Deze Afro-Amerikanen kwamen nu juist naar Detroit en andere industriesteden omdat zij in het Zuiden in segregatie en onderdrukking gehouden werden en zij een goede baan en een opleiding wilden genieten. Dat deden ze dan ook, en richtten onder andere de eerste militante zwarte industriële vakbonden op. Zolang het met de Amerikaanse auto-industrie goed ging, was Detroit een relatief succesvolle, welvarende stad met een rijk cultureel leven. Het was in Detroit dat Martin Luther King voor het eerst zijn “I Have A Dream”-speech hield, en wat een Noordelijk centrum werd in de strijd tegen de segregatie en discriminatie daar. Het zijn generaties zwarte arbeiders die samen met hun witte broeders de Fords bouwden waar ook Europeanen graag in rondreden. Deze stad zag de eerste zwarte man gekozen tot hoofd van de lokale vakbondsfederatie (AFL-CIO) om die reden, evenals trouwens de eerste zwarte chef van politie.

Dat was nog in de jaren van boom. In werkelijkheid is het precies het tegenovergestelde van Niemöller’s betoog, waar de stad aan ten onder gegaan is: de ondergang van de zware industrie overal in de VS, net als elders in de Westerse wereld, als gevolg van de globalisering en de bijkomende verschuiving van productie naar de lage lonen-landen. Net als met de industrie in lelieblank Noord-Engeland, waar geen raciale theorie aan te pas kan komen. Als Niemöller er echt iets van af zou willen weten, kan hij het in deze tijdlijn nalezen, geleverd door de universiteit in Detroit; of hij kan een bezoek brengen aan het Wright Museum of African American History, al in de jaren ’60 opgericht door een locale medisch specialist: ook een zwarte man dus. Maar dat vindt Niemöller vast eng, want in Detroit heerst tenslotte een “armoedige, criminele chaostaat [sic]”.

Niemöller bedoelt met al deze redeneringen eenvoudigweg het volgende: immigratie leidt tot vreemdelingen in het land, met vreemde kleuren en gebruiken. Dat vindt de voormalig ‘linkse’ kleinburger eng. Dus gaat hij zijn toevlucht zoeken in het selectief opdelven van quasi-wetenschappelijk materiaal om nog eens vooroorlogse rassentheorieën een nieuw leven in te blazen. Iedereen weet dat best. Maar het mag niet gezegd worden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Wetenschap

Niemöller’s Genen

In reactie op het akelige incident waarbij een grensrechter is doodgeslagen door een paar jongeren na een voetbalwedstrijd ligt heel Nederland weer overhoop over een zogenaamd ‘Marokkanenprobleem’. Dat sociale en politieke problemen en hun oorzaken stelselmatig worden geanalyseerd in termen van groepsschuld is zo langzamerhand gangbaar geworden in Nederland, en valt bijna niemand meer op. Het heeft daarom vermoedelijk weinig zin om er nog eens op te wijzen dat groepsschuld niet bestaat, dat je iemand niet verantwoordelijk kunt houden voor de incidentele acties van iemand anders alleen omdat zij een bepaalde nationaliteit of afkomst gemeen hebben, en dat een ‘Marokkanenprobleem’ een volstrekte illusie is. Het is uitentreure bekend uit de criminologische statistiek dat Marokkaanse jongeren vaker dan men puur op basis van aantal zou verwachten in aanraking komen met de politie (wat dat ook moge betekenen), en een groter onderdeel vormen van de gevangenisbevolking dan proportioneel. Hetzelfde geldt voor Antilliaanse jongeren, wat dat betreft.

Overigens is dit grotendeels eenvoudigweg omdat deze zelfde groepen ook de meest achtergestelde, armste, en laagst opgeleide groepen zijn in Nederland. Zulke groepen zijn altijd en overal de relatief meest criminele van een gegeven land; dat is dus in het geheel niet specifiek een ‘Marokkanenprobleem’, gezien dat Marokkaanse immigranten in de VS bijvoorbeeld geen bijzondere probleemgroep zijn. Daarnaast is het nuttig er op te wijzen dat de voornaamste slachtoffers van de criminaliteit van arme bevolkingsgroepen andere arme mensen zijn, niet de ‘nette’ kleinburgerij in de buitenwijken die uit angstvalligheid Oom Geert erbij halen om de gemene jongens terug te sturen naar hun ‘eigen land’ waar ze alleen ooit op vakantie geweest zijn. Tenslotte nuttig er op te wijzen dat het meest recente onderzoek vaststelt dat “van de 166.599 Marokkaanse Nederlanders van 12 jaar en ouder worden 7.721 personen (4,6 procent) verdacht”; een oververtegenwoordiging, maar bepaald niet een enorm grote proportie van het bevolkingsdeel.(1)

Maar goed, dat alles is tot daar aan toe. Nog veel ernstiger wordt het beeld wanneer reactionaire types van klein-rechts zoals Joost Niemöller gaan lopen roepen dat er een genetische (c.q. raciale) oorsprong is in de vermeende massale criminaliteit van Marokkaanse Nederlanders. Dat bevolkingsgroepen als collectief worden aangesproken, dat daarmee het idee van burgerschap en de gelijkheid tussen de burgers wordt ondermijnd, dat er gemakshalve wordt genegeerd dat de demografisch sterkste oververtegenwoordiging in de misdaad de groep ‘mannen’ betreft (de overweldigende meerderheid van alle veroordeelde misdadigers) en toch niemand van een ‘mannenprobleem’ spreekt, dat hiermee alle incidenten worden verheven tot het niveau van een burgeroorlog in de geest, dat alles is nog te verwerken. Maar op het moment dat de Niemöllerianen er toe overgaan om ‘wetenschappelijk’ raciale theorieën te verspreiden, die in de gehele moderne geschiedenis de basis zijn geweest voor de grootste gruwelen van fascisme en imperialisme, slavernij en kolonialisme, en niemand dit vreemd lijkt te vinden, op dat moment is er in Nederland iets heel ernstigs gaande.

Het is daarom van het grootste belang nog eens kort uiteen te zetten hoezeer dergelijke theorieën op waanbeelden berusten. Ten eerste is het een totale illusie dat de moderne visie van de mensheid als verdeeld in rassen enige evolutionair-biologische basis heeft. Uit het onderzoek van Alan Templeton naar de genetische distributie onder 16 verschillende groepen in de gehele wereld blijkt dat de genetische verschillen tussen mensen voor 84.4% worden verklaard door individuele verschillen en slechts voor de overige 15.6% door groepsverschillen, dat wil zeggen, door verschillen voortkomend uit een bepaalde langdurige isolatie van een genetische subgroep van andere subgroepen binnen de soort. Dit is voor een zoogdier bijzonder laag.(2) Er zijn dan ook geen genetisch aanwijsbare ‘subsoorten’ van de mens te identificeren zoals dat met sommige dier- en plantensoorten zo is, en de genetische variatie die er bestaat uit zich ook in het geheel niet noodzakelijk in termen van de ‘rassen’ die nu doorgaans populair worden onderscheiden.

Daar komt nog bij dat het idee van de verdeling van de mensheid in rassen een identificeerbare geschiedenis heeft: het idee heeft zijn oorsprong in de 19e-eeuwse Europese behoefte om niet alleen de wereld wetenschappelijk te klassificeren, maar ook om dat op zodanige wijze te doen dat de inmiddels behaalde Europese voorsprong in productiviteit en technologie kon worden verklaard en verdedigd. Gedurende de gehele vroegmoderne en moderne geschiedenis heeft technologisch niveau en politieke organisatie gediend als maatstaf voor Europeanen om anderen te beoordelen, en de verdeling in hogere en lagere rassen met meer of minder potentieëel is slechts een recente ‘verharding’ van dit idee, dat in eerste instantie vooral in culturele en religieuze termen geuit werd.(3)

De huidige gangbare indeling in rassen is dan ook hoogst arbitrair en historisch: er bestaat de notie van een ‘zwart’ ras, al bestaat er vrijwel geen enkele specifieke genetische, culturele, of historische band die West-Afrikanen en Oost-Afrikanen meer bindt met elkaar dan met enige andere groep, en de categorie ‘Aziatisch’ betreft zoveel verschillende groepen dat het een evident Westers construct is. Ook kan men zich afvragen waarom we mensen indelen op deze basis, en niet bijvoorbeeld op de even erfelijke eigenschappen als haarkleur, oogkleur, lengte, en zo voorts. Bekend is ook dat in de oudheid er geen rassentheorie bestond, alleen noties over burgers versus barbaren, en in de Middeleeuwen was de indeling in termen van ‘het Christendom’ versus de heidenen; het hele idee van erfelijke incapaciteit is een product van de opkomst van Europa (en haar nederzettingen) als het hegemonische continent. Deze raciale theorieën zijn vaak systematiseringen van de vooroordelen jegens vreemde groepen, inclusief migranten, die in de oudheid al gangbaar waren, maar niet de essentialistische vorm aannamen die de rassenleer zo veel gevaarlijker nog maakt dan ‘gewone’ xenofobie al is.(4) Het is dan ook een weinig verrassende ontwikkeling dat de Niemöllerianen die herintroduceren in het Nederlands discours.

Er bestaan ook allerlei raciale theorieën over het IQ van verschillende ‘rassen’ en hun leervermogens, om de notie te ondersteunen dat bepaalde rassen eenvoudigweg intelligenter zijn dan andere en dus ‘dat het daar allemaal door komt’. Ik heb hierover eerder uitgebreid geschreven in het Engels, en zal dit niet allemaal herhalen. Kort samengevat komt het er op neer dat er ten eerste geen serieuze overeenkomst is tussen IQ-meting en intelligentie, al was het alleen maar vanwege het Flynn-effect, dat demonstreert dat IQ-scores vanzelf in de loop van de tijd toenemen en daarom voortdurend opnieuw geijkt moeten worden; ten tweede, dat in bloedtests tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ mensen de zwarte bevolking met meer Europese voorouders en dus meer Europese genen niet beter scoorden op IQ-tests dan de zwarte bevolking met minder ‘witte’ genen; verder dat IQ-tests veelal een culturele of intellectuele capaciteit meten die niets te maken heeft met intelligentie, maar alles met in hoeverre je cultureel deel uitmaakt van het wereldbeeld en vocabulaire van de ‘witte’ meerderheid, zoals bleek uit tests waarin witte mensen het beduidend beter deden in bestaande woordkennis, maar er geen verschil was in vermogen woorden te leren; en tenslotte dat de ‘priming’ (dat wil zeggen de deelnemers de relevante categorisering zelf laten invullen, bijvoorbeeld ras, nationaliteit, of gender) van dergelijke tests op basis van ras zelf al een negatief effect heeft op de ‘prestaties’ van historisch onderdrukte groepen, om psychologische redenen.

We kunnen hier eenvoudig een Nederlands onderzoek citeren:

“In this rejoinder, we respond to comments by Lynn, Rushton, and Templer on our previous paper in which we criticized the use of national IQs in studies of evolutionary theories of race differences in intelligence. We reiterate that because of the Flynn Effect and psychometric issues, national IQs cannot be taken to reflect populations’ levels of g as fixed since the last ice age. We argue that the socio-cultural achievements of peoples of Mesopotamia and Egypt in 3000 B.C. stand in stark contrast to the current low level of national IQ of peoples of Iraq and Egypt and that these ancient achievements appear to contradict evolutionary accounts of differences in national IQ. We argue that race differences in brain size, even if these were entirely of genetic origin, leave unexplained 91–95% of the black-white IQ gap. We highlight additional problems with hypotheses raised by Rushton and Templer. National IQs cannot be viewed solely in evolutionary terms but should be considered in light of global differences in socio-economic development, the causes of which are unknown.”

(5)

Kortom, de genetische theorieën van Niemöller zijn niets anders dan een wanhopige poging om vooroordelen en kleinburgerlijke angst voor het vreemde aan te kleden in wetenschappelijke terminologie. Dat zal niet lukken. Het is te hopen voor de familie van Niemöller en voor Nederlands klein-rechts dat racisme en xenofobie zelf ook niet erfelijk zijn, anders ziet het er voor mijn geboorteland in de toekomst niet goed uit. Vooralsnog, echter, blijft het zogenaamde ‘Marokkanenprobleem’ een kwestie van socio-economische factoren en socializering van bepaalde clusters individuen, niet een kwestie van rassen of de genen van hele bevolkingsdelen. En dat is maar goed ook, want ik durf niet veel goeds te voorspellen over de erfelijke intelligentie en aanleg voor misdaad van de Niemöllerianen als het anders zou zijn.

1) http://www.wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/doc/overlast_mn_jongeren/onderzoek/marokkaanse-nederlanders-2012.pdf
2) Alan Templeton, “The Genetic and Evolutionary Significance of Human Races”, in: Jefferson Fish (ed.), Race and Intelligence: Separating Science from Myth (Mahwah, NJ 2002), p. 36.
3) Zie bv. Michael Adas, Machines as the Measure of Men: Science, Technology, and Ideas of Western Dominance (Ithaca, NY 1990).
4) Zie bv. Benjamin Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity (Princeton, NJ 2006); Erich Gruen, Rethinking the Other in Antiquity (Princeton, NJ 2010).
5) http://wicherts.socsci.uva.nl/wichertsPAIDrejoinder.pdf

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Wetenschap

Economische clichés: is er een kenniseconomie?

Ook bij de aankomende verkiezingen hebben de Nederlandse politici weer de mond vol van de ‘kenniseconomie’. Wat hiermee bedoeld wordt is niet altijd helder, des te meer omdat het niet een term is die als zodanig een duidelijk omschreven betekenis heeft in de economische theoretische literatuur. Mijn indruk is dat de term vooral gebezigd lijkt te worden om investeringen in onderwijs te rechtvaardigen. Meer specifiek lijkt het veelal een middel voor de liberale partijen om een substituut te hebben voor redistributie-beleid, terwijl men toch de indruk wekt een belangstelling te hebben voor sociale mobiliteit en de ‘kansen’ van de minder bedeelden en wat dies meer zij. Het is daarom de moeite waard om het begrip zoals het zo gebruikt wordt onder de loep te nemen, omdat het een vast onderdeel vormt van het arsenaal aan economische clichés dat politici er op na houden om willekeurig welke beleidsmaatregel te verdedigen.

De ‘kenniseconomie’ als post-industriële samenleving

Wat over de zogenaamde ‘kenniseconomie’ onmiddellijk moet worden opgemerkt, is dat in de meest onmiddellijke betekenis het een onmogelijkheid is. Er is veel te doen over de historische verschuiving waarin het zwaartepunt van de arbeid niet langer bij industriële productie ligt, maar bij de ‘dienstensector’. Zo’n ontwikkeling is natuurlijk in de economische geschiedenis niet onbekend – de Industriële Revolutie was, zo het iets betekent, dan toch niets anders dan eenzelfde soort verschuiving van landbouw naar industrie. Hiertegen moeten echter twee punten worden aangemerkt. Ten eerste is de ‘dienstensector’ een onduidelijk gedefiniëerd begrip. Ook in de 19e eeuw waren diensten al een fors onderdeel van de economie, maar dan ging het om heel andere categorieën van werk, met name transport en huishoudelijke dienst – als arbeid goedkoop is, en transport duur, werken bijzonder veel mannen uit de werkende klasse als kruiers en spoorwegpersoneel, en vrouwen van dezelfde afkomst als keukenmeid.

Door technologische veranderingen en de enorme toename van de lonen is dit nu grotendeels verleden tijd, maar het geeft wel aan dat het als fenomeen niet nieuw is. Men kan dan bovendien nog wijzen op de huishoudelijke arbeid, vrijwel geheel door vrouwen verricht, die nooit betaald is geweest, maar als het dat zou zijn zonder meer als ‘dienstensector’ zou zijn opgevat. In andere gevallen is er geen eenduidigheid waarom het één als industriële productie geldt en het andere als een dienst, zoals blijkt uit de pogingen van sommige fast food-ketens om het maken en verkopen van hun hamburgers en patat als ‘manufactuur’ te laten bestempelen. Tenslotte, waarom geldt het omvormen van basisgoederen tot een afgewerkt product wel als zodanig als het in een fabriek gebeurt, maar niet als het in een keuken gebeurt? En als iemand de fabriekshal schoonmaakt, zodat de machines veilig en effectief gebruikt kunnen worden, is dat dan een dienst of een onderdeel van het productieproces? Uiteindelijk is dit onderscheid niet zo belangrijk of betekenisvol.

Een tweede bezwaar tegen dit idee is het blote feit, dat alles wat op wat voor manier dan ook verwerkt, vervoerd, verpakt, verhuurd, verkocht of onderwerp van speculatie wordt, eerst geproduceerd moet worden. Al de productie van de goederen die in Nederland nu geheel circuleren in de zogenaamde ‘kenniseconomie’ zijn dus wel degelijk ergens gemaakt volgens ouderwets industriële procedures. Alleen, de olifant in de kamer (om een Anglicisme bewust te gebruiken) is dat die productie grotendeels is overgeheveld naar Derde Wereldlanden. Nederland kent nog wel wat hoogwaardige industrie, met name in de sectoren waar het technologisch voordeel groot genoeg is om de relatief hoge loonkosten de moeite waard te maken, maar de historische verschuiving naar de ‘dienstensector’ is meer dan wat ook in werkelijkheid een historische verschuiving van het leeuwendeel van industriële productie naar China, de Filipijnen, Taiwan, India, en zo voort. Als wij dus hier fijn doen alsof het maken van spullen een verouderd en lachwekkend concept is, zetten achtjarige meisjes onze spijkerbroeken en mobiele telefoons in elkaar in Manila of Phnom Penh.

In dergelijke landen is het effect veeleer een die voor de betreffende arbeiders ten koste van het volgen van een opleiding gaat, omdat liberalisering deze buiten hun bereik heeft gesteld (of het nooit binnen hun bereik geweest is) en de bijkomende migratie naar de steden mensen van dag tot dag dwingt te overleven. Bovendien behandelt Nederland de hoogopgeleide migranten uit zulke landen erbarmelijk slecht, zodat als arts gekwalificeerde Irakese asielzoekers alleen als schoonmaker in een ziekenhuis aan de slag kunnen. Zo is onze ‘kenniseconomie’ niet alleen gebaseerd op de voordelen van ongelijke handel (waarover een andere keer meer), maar ook op de brain drain uit ontwikkelende landen, waarbij we de betreffende breinen ook nog eens amper op waarde weten te schatten. Ondertussen is het effect van industriële arbeid op de intellectuele vermogens en creativiteit van de betreffende werkers in China en elders wel bekend – men neme slechts een treffend citaat van de liberale oereconoom Adam Smith. In de taal van zijn tijd schreef hij in The Wealth of Nations:

The man whose whole life is spent in performing a few simple operations, of which the effects are perhaps always the same, or very nearly the same, has no occasion to exert his understanding or to exercise his invention in finding out expedients for removing difficulties which never occur. He naturally loses, therefore, the habit of such exertion, and generally becomes as stupid and ignorant as it is possible for a human creature to become. The torpor of his mind renders him not only incapable of relishing or bearing a part in any rational conversation, but of conceiving any generous, noble, or tender sentiment, and consequently of forming any just judgment concerning many even of the ordinary duties of private life.

(1)

De ‘kenniseconomie’ als instrument van sociale mobiliteit

Dat gezegd zijnde, zou men kunnen zeggen dat dat de bedoeling van het begrip ‘kenniseconomie’ te nauw opvat. Misschien wordt er alleen het belang bedoeld van meer onderwijs, bijvoorbeeld meer universitair en HBO-onderwijs, om in een hoogtechnologische samenleving sociale mobiliteit binnen Nederland mogelijk te maken (of te houden). Tenslotte, is het niet zo dat nu alles met computers gaat en nu natuurwetenschappelijke en bouwkundige kennis belangrijker zijn dan ooit, en nu er geconcurreerd moet worden met Azië en Amerika, we steeds meer hoogopgeleide mensen moeten kunnen leveren zodat onze lonen hoog blijven, mensen niet vast komen te zitten in laagbetaalde banen, en productiviteit hoog blijft? Natuurlijk is dit niet helemaal onwaar, en het is niet zinvol dat geheel te ontkennen. Maar de waarde van onderwijs en investeringen daarin voor de reductie van ongelijkheid is lang niet zo groot als de liberale partijen – huiverig als ze zijn voor serieuze inbreuken op de economische eigendomsstructuur – het doen voorkomen.

Ten eerste is het zo dat ongelijkheid in de schoolresultaten en mogelijkheden al van begin af aan inwerkt. Er bestaat inmiddels veel wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van armoede op scholing, en de uitkomsten tonen steeds weer aan dat armoede vrijwel letterlijk als een vergif werkt: het vermindert de capaciteiten van het brein, evengoed als het de sociale mogelijkheden reduceert. Zo vinden wij in de nieuwsbrief van de Harvard Neuroscience Institute het volgende:

Significant and continuing stress can have a negative impact on early brain development. The day-to-day adversity of severe poverty and parental mental health problems such as maternal depression, which has a higher prevalence among poor women, can compromise parent-child interaction. (…) Unrelenting stress in the absence of supportive relationships with adults—referred to as “toxic stress”—causes a prolonged activation of the body’s stress response system, which includes the release of stress hormones such as cortisol. Released by the adrenal gland, cortisol circulates in the brain during the body’s fight-or-flight response to stress. Under normal circumstances, cortisol has short-term benefits that help protect us from danger. When the cortisol system is repeatedly activated, however, levels of cortisol remain high and can actually damage the brain.

(2)

Dit lijkt ver weg van een politiek onderwerp als de ‘kenniseconomie’, maar het leidt tot de belangrijke conclusie dat de intellectuele en onderwijskansen van kinderen al bij voorbaat door ongelijkheid en armoede worden aangetast, ongeacht de kwaliteit of het karakter van het onderwijssysteem. Een tweede punt is dat het veelgeroemde voordeel van hogere opleidingen als middel tot hogere inkomens, en daarmee dus als steun in sociale mobiliteit, een categoriefout bevat. Het is uit de economische statistiek welbekend dat een persoon die een universitaire opleiding volgt over de loop van zijn of haar leven meer zal verdienen dan iemand met een MBO-opleiding, en die meer dan alleen een middelbare schoolopleiding, en zo voort (dit geldt ‘zelfs’ voor gesmade opleidingen als Wijsbegeerte en dergelijke). Het ligt dus voor de hand voor te stellen dat zoveel mogelijk mensen naar de universiteit moeten. Het probleem is echter dat wat voor een individu geldt, daarmee nog niet hoeft te gelden voor het collectief. Het loonvoordeel van een hogere opleiding is een relatief voordeel: een diploma hebben is alleen een voordeel als de meeste mensen er níet een hebben. Op het moment dat het algemeen wordt een bepaald diploma te hebben, verliest het zijn meerwaarde in termen van loon. Deze ontwikkeling is nu al zichtbaar: sinds de massale toestroom aan de universiteiten van de jaren ’60 en ’70, is het allang niet meer zo dat het equivalent van wat nu een Bachelordiploma heet een garantie is voor een goedbetaalde baan. Voor banen waar vroeger enige vorm van hoger onderwijs al voldoende was, is nu veelal een Masterdiploma vereist, en voor banen waar vroeger een universitaire studie volstond, is nu een doctoraat nodig. Kortom, het bezitten van een kwalificatie van hogere opleiding is een nulsom: de één zijn voordeel is de ander zijn nadeel, het is onmogelijk voor allen om hetzelfde voordeel te genieten.

Dit is eenvoudig te verklaren door in te zien dat de Nederlandse economie, zoals alle kapitalistische economieën maar een beperkt aantal ‘goede banen’ heeft, zoals John Marsh benadrukt in zijn uitstekende boek Class Dismissed(3). Wat als een goede baan wordt beschouwd is meestal een baan die relatief goed betaalt, die een zeker sociaal prestige heeft, en die ruimte geeft voor een zekere uiting van individuele creativiteit. In een gegeven economie is het echter nu eenmaal zo dat een bepaalde hoeveelheid sociaal noodzakelijke taken moeten worden uitgevoerd, van schoonmaak tot industriële productie, van landbouw tot transport. Sommige hiervan kunnen we in China laten doen, maar niet alles – de ‘dienstensector’ is dan in de praktijk ook vooral de sector die niet verplaatst kan worden. Tegelijkertijd zijn er een noodzakelijk beperkt aantal banen met relatief goed loon en sociale prestige, eenvoudigweg omdat dit relatieve kenmerken zijn, en dus ook hier weer geldt dat wat de één heeft, de ander niet heeft. Zoals Marsh het opsomt:

Regardless of how much use the poor make of their right to a good education, there are not enough decent and remunerative jobs — there are not even enough indecent and low-paying jobs — to go around. The number of heads of households living in poverty outnumbers the supply of job openings that would lift their holders and their families above the poverty threshold.

(4)

Niet omdat dit iets inherents is aan werk, maar omdat dit inherent is aan werk dat verdeeld wordt via een competitieve arbeidsmarkt. Als er ineens veel meer hoogleraren zijn voor hetzelfde werk, neemt hun loon en hun sociaal prestige onherroepelijk op den duur af. Idem dito met dokters, ingenieurs, advocaten, financiëel adviseurs, en ga zo maar door. (Hierbij laten we gender-aspecten voor het overzicht even achterwege.) Tegelijkertijd is het onmogelijk om de behoeften aan productie, transport, landbouw enz. onbeperkt door automatisering en technologie te vervangen, zonder dat dit de lonen in deze sectoren voor de overblijvende werknemers enorm doet toenemen (het fenomeen dat zoveel Oost-Europese loodgieters aantrekt). Zo is er een eindeloze verschuiving van wat ‘goede banen’ zijn, en een voortdurende verandering van de opleidingsvereisten van verschillende sectoren; maar de hoeveelheid ‘goede banen’ neemt niet toe ten opzichte van de bevolking.

Daarmee wordt het verwerven van eindeloze kwalificaties in de hoop iedereen ‘goede banen’ te geven zinledig. ‘Goede banen’ vereisen nu kwalificaties omdat er zoveel mensen zijn die zo weinig posities willen innemen, niet omdat kwalificaties ‘goede banen’ creëren voor iedereen. Tot aan de Eerste Wereldoorlog toe hadden advocaten en dokters in de Verenigde Staten bijvoorbeeld helemaal geen opleiding nodig, omdat vrijwel niemand een hogere opleiding had en daarom dergelijke relatieve eisen overbodig waren. Nu is dat anders. Veel van de ongelijkheid is dan ook ongelijkheid tussen relatief opgeleide werkers, niet alleen tussen de hoog- en de laagopgeleide. Aan deze vorm van ongelijkheid doen de voorstellen over onderwijsinvesteringen niets. Het najagen van een ‘kenniseconomie’ waarin iedereen door een hogere opleiding deelachtig kan worden aan voordelen die per definitie relatief zijn is als de verwoede pogingen van een hond, zich in de eigen staart te bijten.

Kennis als doel, niet als middel

Wil dit dan zeggen dat het allemaal maar onzin is om een goed opgeleide bevolking te willen? Niet helemaal. Wat in het gebabbel over de ‘kenniseconomie’ niet genoemd wordt is het enige werkelijke voordeel van hogere opleiding, één dat niets van doen heeft met de economie in enige directe zin: de intellectuele verrijking. Een goed opgeleide bevolking is een mondige, kritische bevolking en één die veel beter in staat is de creatieve eigenschappen en talenten tot ontwikkeling te brengen binnen én buiten de werksfeer. Of het nu gaat om het componeren van muziek of het doen van nieuwe technologische uitvindingen, van het schrijven van romans tot kritische beschouwingen over het politieke bestel, zonder een zo volledig mogelijke gedegen opleiding is het bijzonder moeilijk iets tot stand te brengen. Dit reduceren tot een term als ‘menselijk kapitaal’, zoals het wordt gezien in veel van de economische theorieën die de verkopers van de ‘kenniseconomie’ bewust of onbewust gebruiken, doet onrecht aan waar het in een maatschappij werkelijk om gaat.

Onze creatieve en intellectuele capaciteiten horen onszelf in de eerste plaats ten dienste te staan, als sociale en scheppende wezens, niet onderworpen te zijn aan de bijzonderheden van een arbeidsmarkt waarin ze slechts tegen elkaar uitgespeeld worden. Dit klinkt misschien wat utopisch, maar heeft niettemin een heel concreet karakter. Hoe minder tijd we kwijt zijn aan het werken om onszelf te onderhouden, en hoe beter opgeleid we zijn, hoe meer we in staat zijn voor onszelf en elkaar het moois te maken, te bedenken, te ontwerpen enz. dat ons leven überhaupt enige plezierige invulling geeft, en hoe meer tijd we ook voor elkaar hebben. Dat is een kwestie van het anders denken over de waarde van competitie, van werk en werkloosheid, en een andere toepassing van technologie. Een ‘kenniseconomie’ is het paard achter de wagen spannen.

1) Adam Smith, The Wealth of Nations, Book V, Chapter I, Part III, Article II.
2) http://www.hms.harvard.edu/hmni/On_The_Brain/Volume15/HMS_OTB_Winter09_Vol15_No1.pdf
3) John Marsh, Class Dismissed: Why We Cannot Teach Or Learn Our Way Out Of Inequality. New York, NY (2011): Monthly Review Press.
4) Marsh, p. 177.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie, Wetenschap

Groei of groen?

Marianne Thieme’s opinie-artikel in De Volkskrant is stimulerend lezen. Niet in de laatste plaats omdat zij een punt heeft betreffende de originaliteit van de Partij van de Dieren: de partij is (ondanks een toenemende media-aandacht) weliswaar nog steeds een zeer kleine partij, maar Thieme heeft gelijk als zij erop wijst dat alle andere partijen, GroenLinks niet uitgezonderd, op het economische vlak groei-georiënteerd zijn. Dat wil zeggen, in de huidige crisistijd is de strijd tussen de verschillende grote partijen vooral een strijd hoe Nederland weer uit de crisis komt en de juiste investeringen dan wel bezuinigingen doet om de economische groei te herstellen, de groei in het Bruto Nationaal Product dat als haast vanzelfsprekend wordt geaccepteerd als dè maatstaf voor het welzijn van het land in het algemeen. Op de discussie over de economische situatie van Nederland antwoordt zij terecht dat dit in veel opzichten vanuit een globaal perspectief een red herring is: “Onze schuld-, groei- en geldverslaving die ervoor zorgt dat al onze wensen en verlangens in geld als rekeneenheid worden uitgedrukt, benemen ons het zicht op de werkelijke problemen van schaarste en verdeling. (…) Economische groei is niet de oplossing van onze problemen, maar de oorzaak ervan.”

Dat is heldere taal, en een verfrissend nieuwe analyse. Omwille hiervan, vindt Thieme, is het tijd om te denken in termen van ecologische duurzaamheid en de verdeling van de taart (Thieme is dol op niet altijd even succesvolle taartmetaforen, zelfs een ‘groene taart’): een “planeetbrede beleidsvisie, los van het traditionele links/rechtsdenken.” Als men zich beseft dat net het nieuws is ontvangen dat het zee-ijs van de Noordpool een recordafname heeft laten zien, dat de visstand wereldwijd inmiddels zo dramatisch is dat het de vraag is of er überhaupt nog vis te eten zal zijn in 20-30 jaar, dat ieder jaar de datum waarop de draagkracht van de aarde – op basis van de huidige productiewijze – uitgeput is weer vroeger valt, dat anthropogene klimaatverandering een realiteit is (de recordhitte, record-vloedgolven, record-droogten en zo voorts maken dat inmiddels zelfs voor de skeptici voelbaar), en zo voorts, valt daar veel voor te zeggen. Het is in ieder geval een welkome ontwikkeling als de Nederlandse politiek haar provincialisme achter zich laat en toont zich er serieus van bewust te zijn dat een wereldwijd geïntegreerde politieke economie ook wereldwijde problemen en wereldwijde structurele fenomenen en tendenzen met zich mee brengt. Het is begrijpelijk dat in tijden van crisis mensen in eerste instantie aan eigen land en eigen portemonnee denken, maar desondanks is Nederland eenvoudigweg niet in een economische of politieke staat om meer te zijn dan een kleine Europese speelbal, onderhevig aan globale economische winden. Daarom is een eerlijke en onbevreesd internationale ideologie zoals die van de Partij van de Dieren meer dan welkom.

Toch is het niet zo eenvoudig als Thieme het doet voorkomen. Als het gaat om een kritiek op economische groei als hoogste waarde en politiek oriënterend concept, heeft zij volledig gelijk. Economische groei is een onduidelijk begrip: omdat groei wordt gemeten in termen van het Bruto Nationaal Product, en het Bruto Nationaal Product slechts een meting is van de waarde van iedere transactie in termen van de huidige prijzen, is het een concept dat lang niet altijd enige overeenkomst heeft met een verbetering van de leefsituatie voor de mediaan-burger. Integendeel: het is een bekend feit dat als persoon A betaald wordt om een put te graven en vervolgens persoon B betaald wordt deze put weer dicht te gooien, er tweemaal een toename is van het BNP, zonder dat in sociale termen iemand er iets mee opgeschoten is. Vervuilende productie telt als toename van het BNP, en het schoonmaken van de gevolgen ervan ook, mits deze maar via de markt tot stand komen. Met andere woorden, het is een buitengewoon rudimentaire categorie van distributie, van het heen en weer schuiven van geld en van wat al geproduceerd is, maar daarom een dubieuze en op zijn best indirecte maatstaf voor de levensstandaard, laat staan een algemener maatschappelijk welzijn.

Echter, het groene verhaal heeft desalniettemin een aantal duidelijke politiek-economische manco’s. De eerste is dat het globale besef van de groene beweging veelal wel een ecologisch, maar niet een duidelijk sociaal-economisch karakter heeft. Dat wil zeggen, hoewel het zonder meer waar is dat het Westen proportioneel voor de wereldbevolking een enorme overconsumptie van voedsel, energie, en wat dies meer zij toont, en dat dit op een globaal niveau technisch niet te handhaven is gegeven de effecten op het ecosysteem, is dat niet de enige relevante factor. Feit is dat voor de grote meerderheid van de wereldbevolking er een even sterke behoefte bestaat om net als de Europeanen en de Amerikanen voorzien te worden van koelkasten, van vliegreizen, van magnetrons, van camera’s, van computers, en zo voorts. Hoewel de Partij voor de Dieren, net als GroenLinks, een bewonderenswaardige rhetorische bereidheid laat zien om redistributie van welvaart naar de Derde Wereld te bevorderen, is het niet duidelijk of zij zich realiseren wat dit inhoudt. Als we uitgaan van de visie van het behoud van een ecologisch equilibrium zoals Thieme c.s. dat voorstaan, is het eenvoudig ondenkbaar dat de bevolkingen van India, China, Brazilië, Pakistan en Indonesië allemaal zouden kunnen worden voorzien van een levensstandaard zoals wij die genieten, zonder dat dit zou vereisen dat de wereldwijde productie vervijfvoudigt. De wereldeconomie heeft dat al gedaan sinds 1950, en dat is precies de oorsprong van de huidige ecologische crisis. Het kan niet zo zijn dat de groene partijen beogen dat nog eens te herhalen op basis van de huidige globale productiewijze.

Als Thieme daarentegen bedoelt het slechts te houden op een kwestie van distributie, dat wil zeggen de verdeling van de bestaande taart (om haar terminologie te volgen), dan is het evengoed onmogelijk. Als we ons wederom in arren moede wenden tot het BNP als een grove maatstaf van welvaart, dan zien we dat het wereldwijde BNP ongeveer 70 biljoen (70.000 miljard) dollar was in 2011, volgens de Wereldbank. Dat klinkt als veel, maar als we dat vervolgens delen door de wereldbevolking van 7 miljard, houden we $10.000 in BNP per hoofd van de wereldbevolking over. Dat is in huidige termen ongeveer het niveau van rijkdom van Peru of Turkije. Niet de allerarmste landen, maar het houdt niet over. Het is natuurlijk waar dat met een veel gelijkere verdeling de sociale levensstandaard hoger zou zijn dan je je bij dergelijke landen voorstelt (denk ook aan de enorme ongelijkheid in die landen zelf), en er valt veel te doen met weinig als je maar andere doelen voor ogen hebt dan de huidige productiewijze heeft. Maar het betekent onherroepelijk dat de Westerse levensstandaard van nu niet alleen in het Westen op zou houden te bestaan, en deze zou terugvallen tot een niveau meer vergelijkbaar met dat van de interbellum-periode, maar ook dat die levensstandaard door de grote ontwikkelingslanden nooit bereikt zou worden. Het is dus vaarwel zeggen tegen ipods, skivakanties en laptops voor de gewone burger. Dat is politiek moeilijk uit te leggen.

Goed, zou men kunnen zeggen. Misschien is dat slecht nieuws, en niet het meest winnende politieke programma ooit. Maar: don’t shoot the messenger – het blijft waar ook al willen mensen het niet horen. En is het nu zo erg om zonder al die luxegoederen te doen? Het probleem met een dergelijke redenatie is dat hoewel het de situatie en de oorzaken juist analyseert, het niet de vinger op de wonde plek legt als het om oplossingen gaat. Hoewel geld misschien niet gelukkig maakt, is een zeker minimumniveau van welvaart een vereiste voor een degelijk leven, en dat vereist een tamelijk hoog niveau van productiviteit. Dit is des te meer waar als we onze medische en technologische prestaties willen behouden en niet uit een misplaatst gevoel van reactionaire romantiek over ‘eenvoudig leven’ velen willen veroordelen tot een kortere levensduur of een vroege dood. Dat is tenslotte het lot van de meerderheid van de wereldbevolking nu, en daar zou het om te doen moeten zijn. Tegelijkertijd blijft de kritiek op de economische groei geldig. Wat is dan een mogelijke oplossing, als noch groen noch groei kan werken?

Om dit te doorgronden vereist niet het opgeven van systeemdenken op globale schaal zoals de groene denkers doen, maar een andere manier van systeemdenken. Het eerste principe wat moet worden opgegeven is het principe van het ecologisch equilibrium, van het balansdenken. Bijna altijd worden groene politieke ideeën gepresenteerd in termen van het behouden van een bestaande ecologische balans, van het ‘behoud van de natuur’ en dergelijke termen. Als het gaat om het handhaven van een zeker niveau van biodiversiteit is daar nog wat voor te zeggen, al is het nuttig op te merken dat de causale principes achter het toe- of afnemen van biodiversiteit en het succes of verlies van inheemse soorten in competitie met indringers vrijwel geheel onbepaalbaar zijn gebleken – voor zover de beste ecologen kunnen nagaan, is het een kwestie van chaos. In de door Bill Bryson geredigeerde bundel van populair-wetenschappelijke essays, Seeing Further, verklaart professor Steve Jones, hoogleraar genetica aan University College London:

Even on a much shorter timescale, the numbers of birds and mammals in a particular place when studied for long enough swing wildly for no obvious reason (as in the collapse of the British house-sparrow). Unexpected outbreaks can also destroy whole ecosystems (as in Dutch Elm disease, which appeared from almost nowhere and killed millions of trees). Such fluctuation might maintain a complex community with no external driver, in which case the paradox of the plankton (and, by extension, of land-based ecosystems too) could be explained in terms of random change.

(1)

Maar dat is nog één ding. Belangrijker is dat er geen reden is om uit te gaan van een wezenlijk statisch equilibrium zoals veel groen denken veronderstelt. Het een cliché te zeggen dat de aarde altijd al in verandering is geweest; nuttiger is om dat concreter te formuleren in termen van dynamisch-cyclische systemen. De aarde is, zoals Oliver Morton zeer onderhoudend benadrukt in dezelfde bundel, effectief drager van een reeks interactieve cyclische systemen. Zo is er de koolstofcyclus, de stikstofcyclus, de energiecyclus, en zo voorts. Samengevat:

Like the components of an astrolabe, the cycles of the Earth system seem to nestle within each other, arranged not by size – they are all, in the end, the size of the planet – but by intimacy and speed, reaching out from the food in our bellies and the wind on our faces to the vastest of vegetable empires and the yet slower, greater mineral realm. Our sweat, once evaporated, spends only days in the sky before falling back as rain. The carbon dioxide we breathe out may be in the air for decades before being eaten up by plants, or take refuge in the oceans for millennia before resurfacing. Other cycles are slower still. While nitrogen compounds can be pumped from sea to sky by microbes, once phosphorus makes its way from soil to the sea it has no easy way back to the atmosphere, and must wait millions of years before, incorporated into sediments, it is lifted up into new mountains to fertilise the soils again. The cycles interpenetrate in such ways all the time, passing through each other in a daunting clockwork of teeth and differentials, their nesting anything but neat, their gearing prone to glitches.

(2)

Wat dit betekent is dat het geen zin heeft te denken in termen van een enkele, statische aardbol die moet worden behouden zoals deze is. Integendeel, de cycli van energie, koolstof en zo voort zijn cycli die ten alle tijden beïnvloed worden door andere cycli, door de organismen van de aarde (die daar ook weer deel van uitmaken), en door min of meer exogene factoren zoals de inslag van asteroïden, de formatie van ijstijden, en zo voorts. De mens als enige organisme met het vermogen tot zelfbewustzijn en planning moet hier juist gebruik van maken. In plaats van behoud van een equilibrium dat, wanneer bezien vanuit een langere termijn, volledig illusoir zal blijken, moeten we juist proberen de cycli van de aarde bewust aan te passen naar ons welzijn. De huidige productiewijze beïnvloedt deze cycli vooral negatief, meest evident in de indirecte vorm van de klimaatverandering (indirect, omdat de het de positieve feedback loop is die zo’n sterk effect op het wereldwijde klimaat teweeg brengt, niet de onmiddelijke CO2-uitstoot zelf). Maar dat is niet noodzakelijk, en het is aan ons dat te veranderen. Maar dat kan alleen als uit het groene denken het conservatisme wordt weggenomen: de angst voor verandering, de vrees voor het ‘voor God spelen’, de onwil om globaal en revolutionair in te grijpen, de neiging tot kleinschaligheid en localisme in de marge.

Praktisch gesproken maken wij van deze cycli al gebruik: tenslotte is olie niets anders dan in de aarde opgeslagen en gecomprimeerde energie, en de nucleaire elementen zoals uranium zijn reactief omdat zij energie uitstralen die door de uitbreiding van het universum nog vóór de vorming van de aarde aan hen gegeven is. Maar als de mensheid bijvoorbeeld de cyclus van de ‘import’ van energie uit de zon en de distributie daarvan over alle organismen van de aarde kunnen bewerken door technologische toepassingen, hebben we een serieuze mogelijkheid om de tegenstelling tussen welvaartsgroei en energiegebrek op te lossen. Zo ook als wij massaal investeren in een cyclus voor hergebruik van de vele schaarse materialen, zoals de zeldzame metalen, die momenteel gebruikt worden in industriële productie; als we de geothermale cycli aanwenden voor het vrijmaken van enorme energiestromen in de plaatsen van de aarde waar dit mogelijk is; als we het globale transportnerwerk herinrichten ten behoeve van een geografische herverdeling van de productie op aarde, en zo voorts.

Kortom, het is niet een kwestie van behoud, en niet een kwestie van equilibrium, maar juist een kwestie van het in ons voordeel gebruik maken van de cyclische dynamiek van het ecosysteem. Er hoeft geen contradictie te zijn tussen verhoging van het welvaartsniveau door middel van grootschalige en efficiënte productie – een reëele en essentiële voorwaarde voor iedere vorm van welvaart – en het tegengaan van de ecologische crisis. Zowel economische als ecologische crisis zijn tegelijkertijd oplosbaar, en met dezelfde middelen. Maar dit vereist een omslag niet zozeer tegen het idee van groei van consumptie en levensstandaarden als zodanig, maar een omslag tegen het idee van groei dat inherent is aan de huidige productiewijze, kortom een omslag tegen kapitalistische groei. Wat dit vereist is een grootse investering in wetenschap en technologie, niet alleen in de vorm van het ontwikkelen van zonnepanelen en dergelijke, maar ook in de ontwikkeling van de theorie van complexe systemen, in de wiskunde van logistiek, in onze kennis van chaotische en dynamische feedback, en zo voort. Het vereist ook de politieke wil en het politieke vermogen zulke kennis en technologie ook werkelijk globaal te implementeren. Kortom, het vereist een omslag van het denken van de groei in de anarchie van de markt naar de groei door rationele planning en kennis van complexe systemen. Het is een omslag van Hayek naar Marx. Zulks is natuurlijk niet te verenigen met de belangen van de handel, en de politiek-economische structuur van accumulatie die de huidige productiewijze kenmerkt. In dat opzicht heeft Marianne Thieme zonder meer gelijk: díe groei kunnen wij ons niet meer veroorloven.

1) Steve Jones, “Ten Thousand Wedges: Biodiversity, Natural Selection, and Random Chance”. In: Bill Bryson (ed.), Seeing Further: The Story of Science & The Royal Society (London 2010), p. 212.
2) Oliver Morton, “Globe and Sphere, Cycles and Flows: How To See The World”. In: Bryson 2010, p. 284.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie, Wetenschap

Monopolies in de wetenschap

De wetenschap monopoliseert. Dat wil zeggen, de druk om wetenschappelijke prestaties en resultaten te kwantificeren leidt er toe, dat het proces van wetenschappelijk onderzoek steeds verder vervormd raakt. Al sinds jaar en dag klagen sociale en geesteswetenschappers over niet alleen de onevenredige financiëring van hun onderzoek, maar des te meer nog over het van overheidswege opgelegde model van publicatie. Kort gezegd, inhoudelijk betekent dit dat wetenschappelijke publicaties worden beoordeeld in een soort puntensysteem, waarbij publicaties in tijdschriften bijzonder hoog tellen, en overige publicaties (populaire werken, monografieën, wetenschappelijke bundels, enz.) aanzienlijk minder. Dit is een publicatievorm die met name voor de hand ligt in de natuurwetenschappen, waar er meestal slechts een klein aantal gerenommeerde tijdschriften zijn voor een gegeven specialisme, en waar wiskundig of laboratoriumonderzoek veelal een helder en vooral een concreet kort samen te vatten resultaat oplevert, dat onmiddelijk voortbouwt op voorafgaand onderzoek. Dat is soms, maar lang niet altijd het geval aan de andere kant van de academische scheidslijn. In sommige vakgebieden zoals sociologie of geschiedenis gaat het nog, maar zelfs daar is het boek, dat klassieke medium, toch nog steeds het meest voor de hand liggende vehikel voor wetenschappelijke uiteenzetting. Des te meer daar theorievorming en methodologische overwegingen vaak een grotere rol spelen, en deze veelal een uitgebreidere uitleg vergen en dus niet makkelijk zich laten inpassen in een tijdschriftartikel van maximaal 20-30 bladzijden.

Dit alles is nog tot daar aan toe. Maar de strijd om de prestige en het overheidsgeld wordt hierdoor niet alleen kunstmatig via tijdschriftartikelen gekanaliseerd, maar er zit ook een veelal niet opgemerkte commerciële adder onder het gras. Laat het nu zo zijn dat er slechts enkele grote firma’s zijn die zich toeleggen op het uitgeven van wetenschappelijke tijdschriften; dat zulke tijdschriften door maar zeer weinigen gelezen worden; dat de abonnementen op dergelijke tijdschriften daarom buitengewoon duur zijn; dat niettemin academische bibliotheken een captive market vormen voor verkoop van zulke abonnementen, omdat ze de tijdschriften wel moeten hebben; en dat tenslotte het auteursrecht het monopolie op de inhoud geeft aan de uitgevers, een handvol grote bedrijven. Men kan wel nagaan dat dit een buitengewoon winstgevende onderneming is, een winst die enkel en uitsluitend bestaat dankzij de combinatie van het wettelijk monopolie verleend door auteursrecht en de afhankelijke positie van de universiteiten. Zelfs een kleine Nederlandse academische uitgever zoals Koninklijke Brill (uitgever onder andere van de Marxistische serie Historical Materialism!) maakt een nette miljoenenwinst, terwijl grotere firma’s zoals Wiley, Elsevier, en Springer een winstmarge op ingelegd kapitaal hebben van meer dan één-derde, ver boven de gemiddelde winst van een commerciële uitgever. (Ter voorbeeld: een jaarabonnement voor een enkel individu op het toonaangevende Journal of Hellenic Studies kost $200; het lezen van één artikel kost al $20. Dit geeft dan bovendien geen toegang tot het archief.)

Wat kan ons dit alles schelen? Nu, het is in de eerste plaats een twijfelachtig gegeven dat private firma’s uitstekende winsten kunnen maken dankzij een monopolistische toe-eigening van wetenschappelijke kennis die gegenereerd is uit onderzoek dat het algemene publiek betaald heeft. Dat zou iedere belastingbetaler van belang moeten vinden. Maar daar komt nog eens bij dat het de monopolisten een motief geeft om te proberen de algemene verspreiding van de wetenschappelijke kennis in hun tijdschriften te verhinderen. Immers, dat kan ten koste gaan van de noodzaak abonnementen (veelal online) aan te schaffen, waar zij hun geld uit halen. En dit komt vervolgens ten koste van de toegang tot wetenschap die het algemene publiek zou mogen verwachten. Niet alleen als sociaal wenselijk product, resultaat van de gemeenschappelijke ‘investering’ in de academie, maar ook omdat een zo breed mogelijke toegang tot dergelijke kennis het intellectueel peil van de bevolking verhogen kan. En men kan nooit weten wat iemand er mee doen kan.

Het belang van de algemene toegankelijkheid van wetenschappelijke tijdschriften is recent nog weer eens benadrukt, toen een 15-jarige jongen in de Verenigde Staten een wetenschappelijke prijs van $75.000 won door een verbeterde methode voor het vaststellen van alvleesklierkanker uit te vinden. Deze methode werkt, volgens het BBC-verslag, maar liefst 168 keer zo snel als de tot nu toe gangbare methode, en is bovendien goedkoper. En hoe heeft een tiener dit bereikt? Precies, door online te zoeken in wetenschappelijke tijdschriften en documentatie. Iets wat onmogelijk zou zijn, als alle wetenschappelijke kennis achter de paywalls van Elsevier en Informa verdwijnt.

Er zijn dus twee goede redenen om de monopolisering van wetenschap door commerciële uitgevers te bestrijden. Ten eerste omdat het effectief betekent dat een gemeenschappelijk goed, dat ook gemeenschappelijk betaald is, zomaar wordt toegeëigend door privé-firma’s, die bovendien een monopolierecht verwerven op het intellectueel eigendom (wat tenslotte alleen als monopolie bestaat). Ten tweede omdat het onbekende, ongeziene sociale kosten met zich meebrengt: namelijk de kosten van alle ontdekkingen, ideeën en wetenschappelijke ontwikkeling die mensen niet doen en niet doormaken omdat zij redelijkerwijs niet de exorbitante kosten van abonnementen op wetenschappelijke tijdschriften kunnen opbrengen. In een tijd waarin op ieder gebied het traditionele verhandelbare monopolie van het auteursrecht achterhaald wordt door de verbeterde technologie – denk aan het achterhoedegevecht dat RIAA, Stichting Brein enz. voeren om het online verspreiden van bestanden tegen te gaan – is een dergelijke politiek-economische constructie niet te verdedigen. Het wordt tijd dat publicatie in publiek toegankelijke tijdschriften, niet duurder dan men zou verwachten van een uitgave voor algemeen nut, standaard wordt.

1 reactie

Opgeslagen onder Economie, Wetenschap