Niemöller’s Genen

In reactie op het akelige incident waarbij een grensrechter is doodgeslagen door een paar jongeren na een voetbalwedstrijd ligt heel Nederland weer overhoop over een zogenaamd ‘Marokkanenprobleem’. Dat sociale en politieke problemen en hun oorzaken stelselmatig worden geanalyseerd in termen van groepsschuld is zo langzamerhand gangbaar geworden in Nederland, en valt bijna niemand meer op. Het heeft daarom vermoedelijk weinig zin om er nog eens op te wijzen dat groepsschuld niet bestaat, dat je iemand niet verantwoordelijk kunt houden voor de incidentele acties van iemand anders alleen omdat zij een bepaalde nationaliteit of afkomst gemeen hebben, en dat een ‘Marokkanenprobleem’ een volstrekte illusie is. Het is uitentreure bekend uit de criminologische statistiek dat Marokkaanse jongeren vaker dan men puur op basis van aantal zou verwachten in aanraking komen met de politie (wat dat ook moge betekenen), en een groter onderdeel vormen van de gevangenisbevolking dan proportioneel. Hetzelfde geldt voor Antilliaanse jongeren, wat dat betreft.

Overigens is dit grotendeels eenvoudigweg omdat deze zelfde groepen ook de meest achtergestelde, armste, en laagst opgeleide groepen zijn in Nederland. Zulke groepen zijn altijd en overal de relatief meest criminele van een gegeven land; dat is dus in het geheel niet specifiek een ‘Marokkanenprobleem’, gezien dat Marokkaanse immigranten in de VS bijvoorbeeld geen bijzondere probleemgroep zijn. Daarnaast is het nuttig er op te wijzen dat de voornaamste slachtoffers van de criminaliteit van arme bevolkingsgroepen andere arme mensen zijn, niet de ‘nette’ kleinburgerij in de buitenwijken die uit angstvalligheid Oom Geert erbij halen om de gemene jongens terug te sturen naar hun ‘eigen land’ waar ze alleen ooit op vakantie geweest zijn. Tenslotte nuttig er op te wijzen dat het meest recente onderzoek vaststelt dat “van de 166.599 Marokkaanse Nederlanders van 12 jaar en ouder worden 7.721 personen (4,6 procent) verdacht”; een oververtegenwoordiging, maar bepaald niet een enorm grote proportie van het bevolkingsdeel.(1)

Maar goed, dat alles is tot daar aan toe. Nog veel ernstiger wordt het beeld wanneer reactionaire types van klein-rechts zoals Joost Niemöller gaan lopen roepen dat er een genetische (c.q. raciale) oorsprong is in de vermeende massale criminaliteit van Marokkaanse Nederlanders. Dat bevolkingsgroepen als collectief worden aangesproken, dat daarmee het idee van burgerschap en de gelijkheid tussen de burgers wordt ondermijnd, dat er gemakshalve wordt genegeerd dat de demografisch sterkste oververtegenwoordiging in de misdaad de groep ‘mannen’ betreft (de overweldigende meerderheid van alle veroordeelde misdadigers) en toch niemand van een ‘mannenprobleem’ spreekt, dat hiermee alle incidenten worden verheven tot het niveau van een burgeroorlog in de geest, dat alles is nog te verwerken. Maar op het moment dat de Niemöllerianen er toe overgaan om ‘wetenschappelijk’ raciale theorieën te verspreiden, die in de gehele moderne geschiedenis de basis zijn geweest voor de grootste gruwelen van fascisme en imperialisme, slavernij en kolonialisme, en niemand dit vreemd lijkt te vinden, op dat moment is er in Nederland iets heel ernstigs gaande.

Het is daarom van het grootste belang nog eens kort uiteen te zetten hoezeer dergelijke theorieën op waanbeelden berusten. Ten eerste is het een totale illusie dat de moderne visie van de mensheid als verdeeld in rassen enige evolutionair-biologische basis heeft. Uit het onderzoek van Alan Templeton naar de genetische distributie onder 16 verschillende groepen in de gehele wereld blijkt dat de genetische verschillen tussen mensen voor 84.4% worden verklaard door individuele verschillen en slechts voor de overige 15.6% door groepsverschillen, dat wil zeggen, door verschillen voortkomend uit een bepaalde langdurige isolatie van een genetische subgroep van andere subgroepen binnen de soort. Dit is voor een zoogdier bijzonder laag.(2) Er zijn dan ook geen genetisch aanwijsbare ‘subsoorten’ van de mens te identificeren zoals dat met sommige dier- en plantensoorten zo is, en de genetische variatie die er bestaat uit zich ook in het geheel niet noodzakelijk in termen van de ‘rassen’ die nu doorgaans populair worden onderscheiden.

Daar komt nog bij dat het idee van de verdeling van de mensheid in rassen een identificeerbare geschiedenis heeft: het idee heeft zijn oorsprong in de 19e-eeuwse Europese behoefte om niet alleen de wereld wetenschappelijk te klassificeren, maar ook om dat op zodanige wijze te doen dat de inmiddels behaalde Europese voorsprong in productiviteit en technologie kon worden verklaard en verdedigd. Gedurende de gehele vroegmoderne en moderne geschiedenis heeft technologisch niveau en politieke organisatie gediend als maatstaf voor Europeanen om anderen te beoordelen, en de verdeling in hogere en lagere rassen met meer of minder potentieëel is slechts een recente ‘verharding’ van dit idee, dat in eerste instantie vooral in culturele en religieuze termen geuit werd.(3)

De huidige gangbare indeling in rassen is dan ook hoogst arbitrair en historisch: er bestaat de notie van een ‘zwart’ ras, al bestaat er vrijwel geen enkele specifieke genetische, culturele, of historische band die West-Afrikanen en Oost-Afrikanen meer bindt met elkaar dan met enige andere groep, en de categorie ‘Aziatisch’ betreft zoveel verschillende groepen dat het een evident Westers construct is. Ook kan men zich afvragen waarom we mensen indelen op deze basis, en niet bijvoorbeeld op de even erfelijke eigenschappen als haarkleur, oogkleur, lengte, en zo voorts. Bekend is ook dat in de oudheid er geen rassentheorie bestond, alleen noties over burgers versus barbaren, en in de Middeleeuwen was de indeling in termen van ‘het Christendom’ versus de heidenen; het hele idee van erfelijke incapaciteit is een product van de opkomst van Europa (en haar nederzettingen) als het hegemonische continent. Deze raciale theorieën zijn vaak systematiseringen van de vooroordelen jegens vreemde groepen, inclusief migranten, die in de oudheid al gangbaar waren, maar niet de essentialistische vorm aannamen die de rassenleer zo veel gevaarlijker nog maakt dan ‘gewone’ xenofobie al is.(4) Het is dan ook een weinig verrassende ontwikkeling dat de Niemöllerianen die herintroduceren in het Nederlands discours.

Er bestaan ook allerlei raciale theorieën over het IQ van verschillende ‘rassen’ en hun leervermogens, om de notie te ondersteunen dat bepaalde rassen eenvoudigweg intelligenter zijn dan andere en dus ‘dat het daar allemaal door komt’. Ik heb hierover eerder uitgebreid geschreven in het Engels, en zal dit niet allemaal herhalen. Kort samengevat komt het er op neer dat er ten eerste geen serieuze overeenkomst is tussen IQ-meting en intelligentie, al was het alleen maar vanwege het Flynn-effect, dat demonstreert dat IQ-scores vanzelf in de loop van de tijd toenemen en daarom voortdurend opnieuw geijkt moeten worden; ten tweede, dat in bloedtests tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ mensen de zwarte bevolking met meer Europese voorouders en dus meer Europese genen niet beter scoorden op IQ-tests dan de zwarte bevolking met minder ‘witte’ genen; verder dat IQ-tests veelal een culturele of intellectuele capaciteit meten die niets te maken heeft met intelligentie, maar alles met in hoeverre je cultureel deel uitmaakt van het wereldbeeld en vocabulaire van de ‘witte’ meerderheid, zoals bleek uit tests waarin witte mensen het beduidend beter deden in bestaande woordkennis, maar er geen verschil was in vermogen woorden te leren; en tenslotte dat de ‘priming’ (dat wil zeggen de deelnemers de relevante categorisering zelf laten invullen, bijvoorbeeld ras, nationaliteit, of gender) van dergelijke tests op basis van ras zelf al een negatief effect heeft op de ‘prestaties’ van historisch onderdrukte groepen, om psychologische redenen.

We kunnen hier eenvoudig een Nederlands onderzoek citeren:

“In this rejoinder, we respond to comments by Lynn, Rushton, and Templer on our previous paper in which we criticized the use of national IQs in studies of evolutionary theories of race differences in intelligence. We reiterate that because of the Flynn Effect and psychometric issues, national IQs cannot be taken to reflect populations’ levels of g as fixed since the last ice age. We argue that the socio-cultural achievements of peoples of Mesopotamia and Egypt in 3000 B.C. stand in stark contrast to the current low level of national IQ of peoples of Iraq and Egypt and that these ancient achievements appear to contradict evolutionary accounts of differences in national IQ. We argue that race differences in brain size, even if these were entirely of genetic origin, leave unexplained 91–95% of the black-white IQ gap. We highlight additional problems with hypotheses raised by Rushton and Templer. National IQs cannot be viewed solely in evolutionary terms but should be considered in light of global differences in socio-economic development, the causes of which are unknown.”

(5)

Kortom, de genetische theorieën van Niemöller zijn niets anders dan een wanhopige poging om vooroordelen en kleinburgerlijke angst voor het vreemde aan te kleden in wetenschappelijke terminologie. Dat zal niet lukken. Het is te hopen voor de familie van Niemöller en voor Nederlands klein-rechts dat racisme en xenofobie zelf ook niet erfelijk zijn, anders ziet het er voor mijn geboorteland in de toekomst niet goed uit. Vooralsnog, echter, blijft het zogenaamde ‘Marokkanenprobleem’ een kwestie van socio-economische factoren en socializering van bepaalde clusters individuen, niet een kwestie van rassen of de genen van hele bevolkingsdelen. En dat is maar goed ook, want ik durf niet veel goeds te voorspellen over de erfelijke intelligentie en aanleg voor misdaad van de Niemöllerianen als het anders zou zijn.

1) http://www.wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/doc/overlast_mn_jongeren/onderzoek/marokkaanse-nederlanders-2012.pdf
2) Alan Templeton, “The Genetic and Evolutionary Significance of Human Races”, in: Jefferson Fish (ed.), Race and Intelligence: Separating Science from Myth (Mahwah, NJ 2002), p. 36.
3) Zie bv. Michael Adas, Machines as the Measure of Men: Science, Technology, and Ideas of Western Dominance (Ithaca, NY 1990).
4) Zie bv. Benjamin Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity (Princeton, NJ 2006); Erich Gruen, Rethinking the Other in Antiquity (Princeton, NJ 2010).
5) http://wicherts.socsci.uva.nl/wichertsPAIDrejoinder.pdf

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Wetenschap

Over de FARC

De media-aandacht voor de Nederlandse FARC-strijdster Tanja Nijmeijer heeft de langdurige strijd van de FARC tegen de Colombiaanse regering voor het eerst in lange tijd weer onder de aandacht gebracht. Normaliter is Colombia, en Zuid-Amerika überhaupt, niet veel in het nieuws in Nederland, dus dit kan ten goede gebruikt worden. Toch bestaat het Nederlandse commentaar veel uit romantisering en evenzeer veel gemakkelijke condemnatie, en beide dienen vermeden te worden. De huidige onderhandelingen tussen de FARC en de Colombiaanse regering zouden een einde kunnen maken aan een van de meest langdurige guerrilla-campagnes in de naoorlogse geschiedenis, maar om te begrijpen waarom dit er toe doet, moeten we verder kijken dan de eenvoudige verhalen over ‘terrorisme’ en dergelijke.

Zoals veel Zuid-Amerikaanse landen is Colombia voor het grootste deel van haar bestaan geregeerd door een nauwe oligarchie, gesteund door grootgrondbezitters in het zeer ongelijk verdeelde platteland en door de veelal buitenlandse (of ‘comprador’) kapitaalbelangen in de grote steden. De Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia – Ejercito del Pueblo (FARC-EP) ontstonden, zoals de naam al doet vermoeden, als een militante communistische beweging die de strijd aanging met de oligarchie in Bogotá. Na een langdurige burgeroorlog (bekend als ‘La Violencia’) had de regering een nieuw agrarisch beleid ingevoerd, hiertoe geadviseerd door Amerikaanse economen. Het beleid bestond uit het stimuleren van het grootgrondbezit en van de grootschalige industriële landbouw in de naam van schaalvoordelen, en beroofde grote hoeveelheden kleine boeren en landarbeiders van hun middelen van bestaan. In reactie hierop besloot de Colombiaanse Communistische Partij een agrarisch verzet te beginnen, gezien het grote economische belang van landbouw in Colombia. In eerste instantie beperkte zich dit tot het organiseren van boeren, maar een groep Communistische militanten richtten een guerrilla-strijdgroep op die kleinschalig gewapend verzet bood tegen de regeringstroepen, doodseskaders, en de paramilitairen in dienst van de grootgrondbezitters. Dit vormde het fundament van de FARC-beweging.

Guerrillastrijd heeft vanuit politiek oogpunt een gecompliceerd karakter. Hoewel het bijzonder effectief kan zijn tegen opponenten die militair en technologisch sterker zijn, vereist het, zoals Mao beschreef in zijn fameuze werken over de guerrillastrijd in China, dat de militanten zich “onder het volk kunnen begeven als een vis in het water”. Ongeacht of het een plattelandsguerrilla is of een stedelijke (zoals in Gaza en Libanon), het is onmiskenbaar noodzakelijk voor het overleven van de strijders dat zij de voortdurende passieve en actieve steun van de lokale bevolking hebben. Die lokale bevolking moet niet alleen bereid zijn hen van voedsel en hulp te voorzien, maar ook hen niet te verraden aan de regeringstroepen, een bron te vormen voor nieuwe strijders, en zich identificeren met de strijd zodat zij niet gemakkelijk om te kopen of te intimideren zijn. Dit betekent vervolgens weer dat de beweging zelf zowel in woord als daad een politiek programma moet hebben dat in overeenstemming is met de belangen van de grote meerderheid van de lokale bevolking.

Echter, hier zit hem de clou: hoe langer de guerrillastrijd doorgaat, hoe moeilijker het is dit te verwezenlijken. Omdat de strijders mobiel zijn, zich over hele gebieden van het land moeten kunnen begeven, en leven van de lokale bevolking, riskeren zij voortdurend geïsoleerd te raken van die bevolking en wat er bij hen speelt. Alleen als de strijders gebieden geruime tijd in handen kunnen houden, lang genoeg om bijvoorbeeld de noodzakelijke landhervormingen ten koste van de grootgrondbezitters door te voeren, kunnen zij de belangen van de lokale bevolking verwezenlijken en daardoor een positieve rol spelen. Als zij echter te zwak zijn om dit te doen, of (wat op hetzelfde neerkomt) de lokale bevolking niet voldoende weten te organiseren in het belang van de revolutie, dan zullen zij op den duur niet alleen het contact met de bevolking verliezen, maar ook hun raison d’être. Vaak ontstaat er dan een proces van degeneratie – om actief te kunnen blijven, moet de beweging de bronnen van inkomsten elders zoeken dan uit de organische steun van de arme massa, en zo wordt drugshandel, ontvoeringen voor losgeld, chantage en bankroof veelal aan de orde van de dag. Hoewel dit in eerste instantie vaak slechts bedoeld is om de werkelijke politieke doelen van de beweging praktisch te dienen, dwingt de logica van georganiseerde criminaliteit de organisatie veelal tot een verwording. Zo eindigen zij vaak als eenvoudige gangsters met een wat opgeblazen retoriek.

De FARC heeft in geruime mate dit proces van degeneratie ondergaan, en daardoor is het al lange tijd niet in staat de troepenaantallen aan te vullen of noemenswaardig de oligarchische regering van Colombia het op enige wijze echt moeilijk te maken. Dit heeft niets te maken, wat de Nederlandse media ook mag zeggen, met ‘terrorisme’ of de morele aspecten daarvan. Zoals de Maoisten in China en de Naxalbandi in India hebben aangetoond, en in het laatste geval nog steeds aantonen, is het uitstekend mogelijk een langdurige politieke en militaire strijd te voeren zonder dat een dergelijk proces van degeneratie optreedt, en zonder dat dit ook maar enigszins kan worden gereduceerd tot een vaag geleuter over ‘terrorisme’. Het ‘terrorisme’ zoals van de Rote Armee Fraktion en dergelijke groepen is niet de oorzaak, maar juist het gevolg van hun gebrek aan brede volkssteun in de gebieden waarin zij opereerden. Hoewel in het geval van de RAF of de Weathermen hun doelwitten politiek gekozen waren en zij niet dit proces van degeneratie ondergingen, is dit alleen omdat zij daarvoor te kort bestonden. Maar een strategie van dien aard heeft geen zin als de analyse van de politiek-economische omstandigheden in een land of regio niet een guerrillastrijd rechtvaardigt, en waar dat in Colombia wel zo was, was dat in Duitsland niet zo. Zo moeten deze bewegingen strategisch en kritisch beoordeeld worden, niet naar de hypocriete maatstaven van de ‘oorlog tegen terreur’.

Nog altijd is Colombia een vazalstaat van de Verenigde Staten, een land waar de eigenaars van haciendas er privé-doodseskaders op na houden, het land met het hoogste aantal vermoorde vakbondsleiders ter wereld, en een centrum van drugshandel en corruptie. De ongelijkheid is enorm, en er is geen onderscheid tussen bankiers, politici, en drugsbaronnen. De ‘oorlog tegen drugs’ heeft het land immense schade toegebracht. Ook is het legale politieke domein grotendeels afgesloten voor enige vorm van progressieve actie: de FARC en andere socialistische organisaties hebben meerdere malen geprobeerd een officiële partij te vormen, maar elke keer werden zoveel leden en activisten ervan vermoord, dat het niet te doen was. Er kan dus geen sprake zijn van een puur parlementaire strategie, als zoiets al zin zou hebben, en de FARC weergeven als oorzaak van de ellende van Colombia is dan ook hypocriet en ridicuul.

Maar tegelijkertijd heeft het ook geen zin om romantisch te doen over de FARC als beweging. De afhankelijkheid van drugshandel en ontvoeringen toont dat de FARC haar historisch bestaansrecht overleefd heeft, en het is allerminst duidelijk dat de nog steeds grotendeels agrarische bevolking van Colombia er veel bij gebaat is. In die zin heeft Tanja Nijmeijer verkeerd gekozen: wellicht was zij beter af geweest haar steun te verlenen aan bijvoorbeeld de Indische rebellen, of die van Irian Jaya, om maar een paar voorbeelden te noemen. We hoeven om het onvermijdelijke verdwijnen van de FARC nu weinig tranen meer te laten. Maar laten we ook de oorspronkelijke rechtvaardiging voor hun bestaan niet vergeten, en ons niet laten verleiden tot hypocriete, koloniale flauwekul over ‘terrorisme’ in het algemeen. En laten we de gelegenheid gebruiken om de Nederlandse verhoudingen met de Zuid-Amerikaanse oligarchieën en hun beschermers in de VS en EU eens kritisch onder de loep te nemen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek

Sluitingstijden

Hoewel misschien eigenwijs en koppig van aard, ben ik niet van nature een liefhebber van in de contramine gaan, tenminste niet slechts omwille van een suggestie van oorspronkelijkheid. Mijn theoretische belangstellingen liggen vermoedelijk ver buiten (ik wil niet zeggen boven of onder) het gemiddelde in Nederlandse politieke en sociale discussie, maar in het meerendeel van de concrete kwesties die zich voordoen in de dagelijkse politiek schaar ik mij graag bij de consensus van ‘links’. Het is maar vrij zelden dat ik het echt oneens ben met de standpunten van de SP en dergelijke, zolang we binnen het beperkte kader van die dagelijkse politiek blijven. Toch moet ik in het geval van de discussie over het verruimen van de sluitingstijden een uitzondering maken. De SP, en het grootste gedeelte van Nederlands links is hier tegen, en juist de liberalen (zoals men zou verwachten) zijn voorstanders. Niettemin lijkt mij ook de sluitingstijdenwet zoals deze heeft bestaan waarschijnlijk onhoudbaar, en ik zou het ook niet willen behouden. Alleen, mijn redenen zijn enigszins anders dan die van de liberalen, natuurlijk.

In de gehele discussie over de sluitingstijden wordt het al snel duidelijk dat wat links er op tegen heeft, en wat de liberalen er op voor hebben, hetzelfde is: het onmiskenbare feit dat een uitbreiding van de toegestane openingsuren op zondag meer concurrentie betekent over een langere tijd van de week, en dus het moeilijker maakt voor kleinere firma’s om het op te nemen tegen grotere firma’s. Er is geen reden te betwijfelen dat dit een reëel effect is. Voor de confessionele conservatieven speelt natuurlijk ook een rol dat het een (verdere) schending betekent van de goddelijke zondagsrust, al schijnt men inmiddels er weinig op tegen te hebben dat medeburgers wier heilige dag op zaterdag of vrijdag valt die rust op die dagen genieten in plaats van de zondag. Dit argument wordt terecht als weinig overtuigend ervaren, gezien hoe gering de rol is die het speelt in de discussie buiten CDA en ChristenUnie-achtige kringen. Sowieso kan er in een steeds meer seculier land geen sprake zijn van een afdwingen van een verplichte religieuze rustdag op last van de overheid. Maar het centrale punt, de concurrentie, is een interessante.

Wat mij in deze discussie enorm heeft verbaasd is hoe snel links zich heeft geïdentificeerd met de belangen van de kleine winkeliers en zogenaamde ‘zelfstandigen’ en hun beweringen dat de verruiming een vorm van ‘oneerlijke concurrentie’ zou inhouden. Misschien komt dit voort uit een lovenswaardige behoefte de underdog te steunen, maar met links heeft het weinig te maken. Allereerst is het onzin te spreken van oneerlijke concurrentie. Er is niets oneerlijks aan: het is precies dezelfde concurrentie die ze alle overige zes dagen van de week al ervaren. Als die concurrentie wordt aanvaard als eerlijk, is het volstrekt arbitrair ineens te zeggen dat dat de zevende dag van de week niet mag. Dit zou het equivalent zijn van een stelling, dat het eerlijke concurrentie is voor een grote ‘buurtsuper’ met een oppervlak van 300 m² te concurreren met een kruidenier, maar het is ineens oneerlijke concurrentie als die buurtsuper er nog eens 50 m² bij krijgt! Dat slaat geheel nergens op.

Het is onmiskenbaar waar dat de kleine winkeliers en midden- en kleinbedrijf er behoorlijke extra loonkosten bij zouden krijgen, als zij ook op de zondag dezelfde concurrentie aan zouden moeten gaan als ze al op maandag tot zaterdag doen. Maar nou en? Wat zou dat? Het lijkt mij een teken van de steeds verdergaande theoretische onderontwikkeling van linkse politiek en het steeds verder uitbreidende populistische ad hoc-gedrag van de partijen dat hier helemaal niet over nagedacht is. Het is begrijpelijk dat heel specifieke soorten winkels bijvoorbeeld wenselijk worden geacht voor het algemeen welzijn, zoals de vaste boekenprijs het mogelijk maakt voor boekwinkels om te bestaan en op deze manier een culturele functie te vervullen, die eventueel nog te rechtvaardigen is. Maar daarin wordt niet ineens beslist dat kleine boekwinkels geen concurrentie hoeven te ondergaan van grote, en dat kan ook niet.

Het is een illusie te denken dat kleine firma’s en winkels inherent beter, wenselijker, of minder exploitatief zouden zijn dan grote. In werkelijkheid is het omgekeerde juist vaak het geval: niet alleen bieden grotere winkels doorgaans lagere prijzen voor een massapubliek, wat soms positief is en soms niet (zoals Walmart aantoont), maar de lonen zijn er doorgaans hoger en zij nemen meer allochtonen en vrouwen aan, het is moeilijker vakbonden te vormen in kleinere firma’s en representatie van werknemers mogelijk te maken, en bieden meer baanzekerheid. De invloed op de totale werkgelegenheid van grote firma’s is aanzienlijk significanter dan die van kleine, dus voor de strategische korte termijn van links (waarin traditioneel werkgelegenheid een grote rol speelt) is het bevoordelen van kleinbedrijf een dubieuze denkwijze. Ook elders gaat dit op: de meerderheid van de sweatshops in de Derde Wereld zouden gelden als ‘midden- en kleinbedrijf’, bijvoorbeeld.

Er wordt wel gezegd dat deze redenering niet opgaat voor zogenaamde ‘zelfstandigen’, en dat deze bijzondere bescherming verdienen juist omdat zij niet volgens de politieke economie van links exploitatief zouden zijn, in tegenstelling tot firma’s met werknemers. Nog los van de vraag, hoe zelfstandig een zelfstandige eigenlijk is die special pleading in de wet nodig heeft om boven water te blijven, berust dit op twee illusies. Ten eerste is de zelfstandige evengoed ‘exploitatief’ – in ieder geval in de technische, misschien niet in de morele zin – alleen hij of zij exploiteert zichzelf, zijn of haar eigen tijd. Dit gaat net zoals in de kleine, maar marktgeoriënteerde boerenstand, waar traditioneel de reactie op nieuwe concurrentie altijd een nog verder beroep op de arbeidstijd van de boerenfamilie zelf is, tot ze er bij neervallen. Dat lijkt me vanuit een breder progressief oogpunt niet een situatie die we als status quo willen bevriezen. Ten tweede is het evident dat de maatschappij niet uitsluitend kan bestaan uit talloze zelfstandigen zonder personeel die hun diensten uitruilen. In de klassieke discussie in de 19e eeuw wees Marx zijn tegenstander Proudhon hier al op: niet alleen heeft zo’n situtatie historisch nooit bestaan, maar deze zou ook niet stabiel zijn, en vanzelf leiden tot schaalvergrotingen, uitstoting van de verliezers van de concurrentie, en zo voorts, totdat de huidige situatie zich weer voordoet.

Toen ik enige jaren geleden nog als bewoner van Utrecht in een referendum mocht stemmen over de verruiming van de openingstijden, stemde ik dan ook vóór, maar mijn ouders stemden beide tegen. Toen ik hen hierover vroeg, verklaarden zij dat ze graag op zondag gaan wandelen in de stad en het dan zo fijn rustig is, en als de winkels open zouden zijn zou het misschien overspoeld worden door ‘provincialen’ die komen winkelen. Nu ben ik bijzonder dol op mijn ouders – en trouwens ook op wandelen – maar het moge duidelijk zijn dat dit niet een sentiment is, hoe begrijpelijk ook, dat welk collectief bestuur dan ook serieus zou moeten kunnen nemen. Wat ik dus met dit alles zeggen wil is dat de steun van links voor de sluitingstijdenwet als politiek behoort tot de romantische reactie, tot de nostalgie, een poging om een geïdealiseerde oude situatie kunstmatig in stand te houden zonder de dynamiek en de kenmerken ervan serieus onder de loep te nemen. Dit is al een heel oud gevaar voor links. Het is al te makkelijk om te denken dat omdat de dingen nu slecht zijn, ze dus vroeger wel beter moeten zijn geweest, of dat verdere verandering alleen nog verdere verslechtering kan betekenen. Deze reactionaire impuls moet bestreden worden, en het feit dat de linkse partijen hierin juist medestanders vinden in de meest conservatieve sferen van Nederland zou te denken moeten geven. Er bestaat teveel romantiek over kleinbedrijf, het is tijd dit te veranderen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie

Provocaties

Er is de laatste jaren veel te doen om de vrijheid van meningsuiting in Europa. De vele anti-immigratie en anti-Islamitische groeperingen spinnen garen bij de vele incidenten, groot en klein, die zich in de recente tijd hebben voorgedaan die het recht op vrije expressie, altijd in zulke clichématige termen omschreven als ‘felbevochten’ en dergelijke, in het nauw lijken te brengen. Er zijn natuurlijk de echt grote gevallen, zoals de Rushdie-affaire (alweer vele jaren geleden), waarbij de schrijver na het parodiëren van de oorsprongen van de Islam in zijn boek The Satanic Verses onder permanente bewaking moest leven en verschillende van zijn vertalers (bijna) vermoord werden, en in Nederland natuurlijk de moord op de aartsprovocateur Theo van Gogh. Dit zijn serieuze gevallen, die het recht van burgers om kritiek en satire te beoefenen, en wel in het bijzonder jegens religie, impliciet bedreigen en daarmee hele onderwerpen van vrije discussie afsnijden.

De vrees voor fanatici en gekken kan een mondsnoerend effect hebben, dat is zeker waar. Toch is dit eigenlijk niet de meest serieuze vorm van censuur jegens provocaties op de langere duur. Dat bepaalde individuen, al dan niet labiel, van een gegeven gelegenheid gebruik maken om prominente satiristen en critici te bedreigen of aan te vallen is buitengewoon onwenselijk, maar nooit volledig te verhinderen. Het blote feit dat een enkele idioot met een auto op de colonne van de koningin in kan rijden geeft al aan dat iedere poging tot een volledige beveiliging vergeefs is, en zoals de eindeloze ellende op de vliegvelden iedere reiziger al doet aanvoelen, brengt een poging daartoe aanzienlijke praktische kosten met zich mee, zowel financiëel als politiek.

Het is onbegrijpelijk dat er onder progressief denkende mensen niet serieuzer en verontwaardigder gereageerd wordt als Deense ambassades worden aangevallen omwille van een satire op een religie, of het kantoor van een bekend Frans satirisch blad wordt opgeblazen om dezelfde reden – als er nu één fundamenteel strijdpunt was van de Verlichting, was het toch zeker het recht om met religie de spot te drijven. “De kritiek op religie is het begin van alle kritiek”, schreef Marx al, en zo is het. Maar hoezeer dit ook in het straatje van de kruisvaarders der laatste dagen te pas komt, dit is niet de belangrijkste of gevaarlijkste vorm van censuur en inperking van provocaties.

Spot en provocatie zijn altijd gevreesd omdat zij de meest effectieve wapens zijn vóórdat men naar de echte wapens grijpt. Het werkelijke gevaar rust dan ook niet op de lange duur in de bedreigingen van kleine groepen fanatici, hoe ernstig ook, jegens medeburgers die hun geliefde onderwerpen en totems belachelijk maken. De werkelijk gevaarlijke censuur komt altijd van de instanties met politieke macht, van regeringen en – veelal in het verleden, maar in het geval van Khomeini c.s. recent nog – de van aardse macht voorziene clerus. En in het tijdperk van de ‘oorlog tegen de terreur’ is de reactie van vele Westerse regeringen om juist op dit terrein steeds verder het domein van geoorloofde provocaties terug te dringen. Inderdaad mag in Nederland Geenstijl nu van alles schrijven wat in de jaren ’80 de Centrumpartij nog op boetes zou zijn komen te staan. Maar dat geeft slechts aan dat ondanks hun pretenties tot rebellie, zij niet werkelijk een bron van illegitieme of onopgemerkte macht raken. Een satirist die juist onder het politiek establishment de lachers op de hand heeft is geen criticus, maar een hofnar.

Veel ernstiger is de tendens in de laatste jaren om, nu de aandacht voor en de strijd om de meningsuiting elders lijken te zijn, de traditionele vormen van kritiek en provocatie de mond te snoeren. Vandaag werd in het Verenigd Koninkrijk een zekere Trenton Oldfield tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld, omdat hij vorig jaar de jaarlijkse roeiwedstrijd tussen Oxford en Cambridge had verstoord door tussen de roeiers te zwemmen. Dit was bedoeld, zo bleek, als een protest tegen het elitaire karakter van deze universiteiten (waarvan nog altijd een enorm disproportioneel deel van de studenten van de elitescholen afkomstig zijn) en de banden tussen deze academische elite en de politiek, gezien hoeveel van de Britse regeringsleden die opleidingen genoten hebben. De roeiwedstrijd werd enkel even onderbroken om hem uit het water te vissen en werd vervolgens rustig voortgezet, maar hij mag nu wel een forse tijd de bak in.

Evenzeer werd enkele weken geleden een jongeman die, niet geheel smaakvol, op Twitter een slechte grap had gemaakt ten koste van een in Wales vermoord meisje tot enkele weken cel veroordeeld. Een grap op Twitter! In Nederland werden enkele demonstranten die terecht hadden willen wijzen op het koloniale en racistische karakter van de jaarlijkse Zwarte Pietparades – iets wat ik persoonlijk überhaupt al nooit heb kunnen uitleggen aan mijn in dit soort zaken veel scherpere Amerikaanse vrienden – genadeloos door de politie in elkaar geslagen en naar de cel afgevoerd, tot het enthousiasme van het (witte) publiek. Men mag van alles schreeuwen over buitenlanders en de Islam, maar de confrontatie aangaan met de zaken die de nette witte burgers zelf mooi en waardevol vinden, dan houdt het ineens op. In dat licht bezien wordt de internationale verontwaardiging over de celstraf voor de Russische linkse(!) provocatieband Pussy Riot ineens wel tamelijk hypocriet.

Dit is niet te zeggen dat het één beter is dan het ander. Mensen die de positieve aspecten van de Verlichting en het erfgoed van het 19e- en 20e-eeuwse progressieve denken aan het hart gaat, ideeën die tenslotte de weinige vrijheden en gelijkheden die wij tot stand hebben gebracht mogelijk hebben gemaakt, zouden beide moeten afwijzen. Het is volledig onacceptabel voor ‘links’, om het maar zo te stellen, om schoorvoetend te mompelen over ‘dat ze het toch wel erg bont hebben gemaakt en misschien wel hadden verdiend’ als religieuze fanatici zelfs de meest eenvoudige satires onmogelijk maken. Maar noch moslims noch buitenlanders zijn groepen met veel macht of aanzien in onze maatschappij, en de apologetische reflex is dan ook te begrijpen, hoe misleid ook, als een erkenning van dat feit.

Des te geduchter moeten we daarom zijn voor die gevallen waarin machthebbers onmiddelijk repressief reageren op die zaken, die ‘de gewone burger’ of zelfs de politiek zelf betreffen. Laten we dan ook zulke gevallen als het Sinterklaasprotest evengoed serieus nemen als gevallen van bedreiging en censuur als de aanval op Charlie Hebdo. Daar komt dan nog bij dat Nederland een leidende rol speelt in internetcensuur, van vage wetgeving gerechtvaardigd door morele paniek over ‘kinderporno’ tot het slaafs volgen van de grote mediafirma’s in het uitsluiten van iedere mogelijkheid tot fair use. Of de censuur als het gaat om ook maar de meest luchtige provocatie jegens het koningshuis, zoals nog niet te lang geleden wederom bleek. Ook hier lijkt de grens te liggen bij wat geldt als provocatief voor de kleinburger, en niet wat geldt als provocatief voor kleine groepen Islamitische fanatici, hoe luid deze ook mogen zijn. Het is tijd om ons te verzetten tegen de steeds verdere terugdringing van de mogelijkheden tot satire en provocatie, en de retoriek over vrijheid van meningsuiting niet slechts te beperken tot het soort kenmerkend voor klein-rechts. De werkelijk waardevolle provocatie is die van macht en gevestige meningen – niet het natrappen van bevolkingsgroepen die toch al eindeloos geminacht worden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Religie

Morele verontwaardiging

Nadat een in de Verenigde Staten al meermalen veroordeelde oplichter en fraudeur een idioot filmpje over de Islam heeft gemaakt, vol van beledigingen en de standaard hersenloze onzin over de profeet als pedofiel en wat dies meer zij, breken er rellen uit in verschillende landen met een grotendeels moslimbevolking, zoals in Noord-Afrika. Aan de ene kant heeft dit een vooralsnog onbekende militante groepering de gelegenheid gegeven om het Amerikaanse consulaat in Benghazi aan te vallen, waarbij de ambassadeur en verschillende stafleden gedood worden (waaronder iemand die ik nog ken van een politiek forum, maar dat is een ander verhaal). Aan de andere kant geeft deze uitbarsting van gewelddadige demonstraties ook weer ruimschoots gelegenheid voor het zelfvoldane commentariaat in Nederland om met de vinger te wijzen naar die gekke Arabieren die toch altijd maar overal zo onbegrijpelijk boos om worden. Waarom toch die morele verontwaardiging over een dom filmpje?

Zo makkelijk is het natuurlijk niet. Wat de neerbuigende commentatoren niet begrijpen is dat het bij gelegenheden als deze ook niet werkelijk gaat om deze of gene film of deze of gene striptekening in een Deense krant. Wat werkelijk ter zake doet is dat sinds het einde van de 19e eeuw de Britten, Fransen, Amerikanen en zo voort zich onophoudelijk hebben bemoeid met de politiek van het Midden-Oosten (in ruime zin) en Noord-Afrika. De geschiedenis van de Westerse interacties met deze regio zijn in de afgelopen 150 jaar een voortdurende opeenstapeling geweest van kolonisaties, installatie van marionet-dictators, bombardementen, strafexpedities, het tegen elkaar uitspelen van religieuze en etnische groeperingen, het opslokken van de oliewinsten en het actief bevorderen van obscurantisme, religieuze fanatici, en patriarchale instituties zolang deze de ‘stabiliteit’ waarborgden. Daar komt dan nog de hypocriete steun aan Israël als racistische en koloniserende settler-staat bij. Alleen maar in de laatste twintig jaar hebben mensen in de regio met lede ogen toe moeten zien hoe er invasies of militaire strafacties werden gepleegd van deze of gene soort in Afghanistan, Irak, Libië, Jemen, en Pakistan. Dat is dan om nog niet te spreken over de steun voor de absolute monarchieën in Saudi-Arabië en Bahrein, waar een poging tot democratische revolutie in het kader van de ‘Arabische lente’ bloedig is neergeslagen zonder dat dit veel de kranten heeft gehaald.

De Nederlandse commentatoren in hun zelfgenoegzaamheid denken kennelijk dat de gemiddelde Egyptenaar, Libiër of Syriër dit allemaal van de ene dag op de andere vergeet; zij denken dat het historisch geheugen van deze mensen zo kort is als dat van ons als het om die regio gaat. Dat is niet het geval. In werkelijkheid is het niet van doorslaggevend belang wat de onmiddellijke aanleiding is, waar het om gaat is dat mensen in de regio zo voortdurend onderdrukt, uitgebuit, gebombardeerd, voorgelogen en klein gehouden worden dat welke aanleiding dan ook voldoende is om hen in hun machteloosheid tot razernij te brengen. In dat opzicht heeft het heel weinig te maken met of het Arabieren zijn of wat ‘de Islam’ wel en niet vindt, maar zijn fenomenen als deze veel meer analoog aan de rellen die vorig jaar Londen troffen. Ook daar was de onmiddellijke aanleiding een enkel onduidelijk geval van politiegeweld bij de arrestatie van een (vermoedelijk) bendelid, en waren de rellen niet in enige zin politiek ‘constructief’; maar voor mensen die alsmaar worden vernederd en met voeten getreden is het alsof men een lont werpt in het spreekwoordelijke kruitvat. Je kunt dan wel fijn vanuit je luie stoel in Helmond of Hilversum hypocriet gaan doen over de gewelddadigheid van de Arabieren, maar dan is zo’n moralisme opmerkelijk misplaatst, zeker zolang Nederland nog troepen heeft in Afghanistan en één van ’s werelds meest pro-Israëlische buitenlands beleidskoersen vaart.

Zoals W.F. Hermans jegens ‘links’ al vaak opmerkte en zoals nu jegens ‘rechts’ moet worden opgemerkt, de meerwaarde van morele verontwaardiging in de politiek is maar heel beperkt. Het klassieke weerwoord is weliswaar altijd: tout comprendre, c’est tout pardonner – het stereotype van de gemakzuchtige hippie-pacifist die alles wel goed vindt en altijd maar zegt dat de mensen verkeerd begrepen zijn. Toch is dat niet werkelijk ter zake. Het punt is niet dat politiek geen morele, strategische en ideologische oordelen vergt; daar bestaat politiek uit. Maar het is zinloos om morele verontwaardiging of politieke oppositie als uitgangspunt te nemen voor een politieke analyse, nog voordat de werkelijke empirische en theoretische overwegingen gedaan zijn.

Dit is een probleem niet uniek voor het soort opportunistische Eurocentrisme zoals in dit specifieke geval veel getoond wordt, maar geldt ook bijvoorbeeld binnen linkse kringen voor het type analyse wat bij voorbaat al weet dat als een politieke omwenteling niet op de Russische Revolutie lijkt, het niet de moeite waard kan zijn. Eerst moet een bepaalde situatie begrepen worden, en dan kan daarna altijd nog het passende morele of politieke oordeel geveld worden. Dit is een triviaal vanzelfsprekend gegeven in iedere competente aanpak van geschiedschrijving, echt een kwestie van History 101. Dat dit niet als vanzelfsprekend wordt beschouwd is dan ook kenmerkend voor de immense intellectuele luiheid van het soort Huntingtoniaanse oriëntalisme dat steeds weer de kop op steekt in de Nieuw Rechtse commentaren.

Het bestrijden van oriëntalistische impulsen (die vrijwel onvermijdelijk zijn voor mensen die in West-Europa opgroeien) is een essentiëel onderdeel van het bestrijden van racisme in bredere zin. De morele verontwaardiging opschorten totdat je werkelijk een begrip hebt van de omstandigheden – politiek-economisch, historisch, en wat verder van belang is – maakt daar weer deel van uit. Dit betekent niet het weigeren van ieder oordeel vanuit een incoherent soort moreel relativisme. Maar het betekent dat morele verontwaardiging alleen past wanneer deze consistent wordt toegepast, over de misdaden van het eigen land en de eigen cultuursfeer even goed als over die van een ander, en pas nádat de intellectuele en empatische inspanning is geleverd de ander te begrijpen. Dan kunnen we rustig nog zeggen dat we vrouwenbesnijdenis of het lynchen van mensen die de Islam ‘beledigen’ politiek en moreel afwijzen. Maar dan is morele verontwaardiging tenminste niet meer een substituut voor werkelijk begrip.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Religie

Economische clichés: is er een kenniseconomie?

Ook bij de aankomende verkiezingen hebben de Nederlandse politici weer de mond vol van de ‘kenniseconomie’. Wat hiermee bedoeld wordt is niet altijd helder, des te meer omdat het niet een term is die als zodanig een duidelijk omschreven betekenis heeft in de economische theoretische literatuur. Mijn indruk is dat de term vooral gebezigd lijkt te worden om investeringen in onderwijs te rechtvaardigen. Meer specifiek lijkt het veelal een middel voor de liberale partijen om een substituut te hebben voor redistributie-beleid, terwijl men toch de indruk wekt een belangstelling te hebben voor sociale mobiliteit en de ‘kansen’ van de minder bedeelden en wat dies meer zij. Het is daarom de moeite waard om het begrip zoals het zo gebruikt wordt onder de loep te nemen, omdat het een vast onderdeel vormt van het arsenaal aan economische clichés dat politici er op na houden om willekeurig welke beleidsmaatregel te verdedigen.

De ‘kenniseconomie’ als post-industriële samenleving

Wat over de zogenaamde ‘kenniseconomie’ onmiddellijk moet worden opgemerkt, is dat in de meest onmiddellijke betekenis het een onmogelijkheid is. Er is veel te doen over de historische verschuiving waarin het zwaartepunt van de arbeid niet langer bij industriële productie ligt, maar bij de ‘dienstensector’. Zo’n ontwikkeling is natuurlijk in de economische geschiedenis niet onbekend – de Industriële Revolutie was, zo het iets betekent, dan toch niets anders dan eenzelfde soort verschuiving van landbouw naar industrie. Hiertegen moeten echter twee punten worden aangemerkt. Ten eerste is de ‘dienstensector’ een onduidelijk gedefiniëerd begrip. Ook in de 19e eeuw waren diensten al een fors onderdeel van de economie, maar dan ging het om heel andere categorieën van werk, met name transport en huishoudelijke dienst – als arbeid goedkoop is, en transport duur, werken bijzonder veel mannen uit de werkende klasse als kruiers en spoorwegpersoneel, en vrouwen van dezelfde afkomst als keukenmeid.

Door technologische veranderingen en de enorme toename van de lonen is dit nu grotendeels verleden tijd, maar het geeft wel aan dat het als fenomeen niet nieuw is. Men kan dan bovendien nog wijzen op de huishoudelijke arbeid, vrijwel geheel door vrouwen verricht, die nooit betaald is geweest, maar als het dat zou zijn zonder meer als ‘dienstensector’ zou zijn opgevat. In andere gevallen is er geen eenduidigheid waarom het één als industriële productie geldt en het andere als een dienst, zoals blijkt uit de pogingen van sommige fast food-ketens om het maken en verkopen van hun hamburgers en patat als ‘manufactuur’ te laten bestempelen. Tenslotte, waarom geldt het omvormen van basisgoederen tot een afgewerkt product wel als zodanig als het in een fabriek gebeurt, maar niet als het in een keuken gebeurt? En als iemand de fabriekshal schoonmaakt, zodat de machines veilig en effectief gebruikt kunnen worden, is dat dan een dienst of een onderdeel van het productieproces? Uiteindelijk is dit onderscheid niet zo belangrijk of betekenisvol.

Een tweede bezwaar tegen dit idee is het blote feit, dat alles wat op wat voor manier dan ook verwerkt, vervoerd, verpakt, verhuurd, verkocht of onderwerp van speculatie wordt, eerst geproduceerd moet worden. Al de productie van de goederen die in Nederland nu geheel circuleren in de zogenaamde ‘kenniseconomie’ zijn dus wel degelijk ergens gemaakt volgens ouderwets industriële procedures. Alleen, de olifant in de kamer (om een Anglicisme bewust te gebruiken) is dat die productie grotendeels is overgeheveld naar Derde Wereldlanden. Nederland kent nog wel wat hoogwaardige industrie, met name in de sectoren waar het technologisch voordeel groot genoeg is om de relatief hoge loonkosten de moeite waard te maken, maar de historische verschuiving naar de ‘dienstensector’ is meer dan wat ook in werkelijkheid een historische verschuiving van het leeuwendeel van industriële productie naar China, de Filipijnen, Taiwan, India, en zo voort. Als wij dus hier fijn doen alsof het maken van spullen een verouderd en lachwekkend concept is, zetten achtjarige meisjes onze spijkerbroeken en mobiele telefoons in elkaar in Manila of Phnom Penh.

In dergelijke landen is het effect veeleer een die voor de betreffende arbeiders ten koste van het volgen van een opleiding gaat, omdat liberalisering deze buiten hun bereik heeft gesteld (of het nooit binnen hun bereik geweest is) en de bijkomende migratie naar de steden mensen van dag tot dag dwingt te overleven. Bovendien behandelt Nederland de hoogopgeleide migranten uit zulke landen erbarmelijk slecht, zodat als arts gekwalificeerde Irakese asielzoekers alleen als schoonmaker in een ziekenhuis aan de slag kunnen. Zo is onze ‘kenniseconomie’ niet alleen gebaseerd op de voordelen van ongelijke handel (waarover een andere keer meer), maar ook op de brain drain uit ontwikkelende landen, waarbij we de betreffende breinen ook nog eens amper op waarde weten te schatten. Ondertussen is het effect van industriële arbeid op de intellectuele vermogens en creativiteit van de betreffende werkers in China en elders wel bekend – men neme slechts een treffend citaat van de liberale oereconoom Adam Smith. In de taal van zijn tijd schreef hij in The Wealth of Nations:

The man whose whole life is spent in performing a few simple operations, of which the effects are perhaps always the same, or very nearly the same, has no occasion to exert his understanding or to exercise his invention in finding out expedients for removing difficulties which never occur. He naturally loses, therefore, the habit of such exertion, and generally becomes as stupid and ignorant as it is possible for a human creature to become. The torpor of his mind renders him not only incapable of relishing or bearing a part in any rational conversation, but of conceiving any generous, noble, or tender sentiment, and consequently of forming any just judgment concerning many even of the ordinary duties of private life.

(1)

De ‘kenniseconomie’ als instrument van sociale mobiliteit

Dat gezegd zijnde, zou men kunnen zeggen dat dat de bedoeling van het begrip ‘kenniseconomie’ te nauw opvat. Misschien wordt er alleen het belang bedoeld van meer onderwijs, bijvoorbeeld meer universitair en HBO-onderwijs, om in een hoogtechnologische samenleving sociale mobiliteit binnen Nederland mogelijk te maken (of te houden). Tenslotte, is het niet zo dat nu alles met computers gaat en nu natuurwetenschappelijke en bouwkundige kennis belangrijker zijn dan ooit, en nu er geconcurreerd moet worden met Azië en Amerika, we steeds meer hoogopgeleide mensen moeten kunnen leveren zodat onze lonen hoog blijven, mensen niet vast komen te zitten in laagbetaalde banen, en productiviteit hoog blijft? Natuurlijk is dit niet helemaal onwaar, en het is niet zinvol dat geheel te ontkennen. Maar de waarde van onderwijs en investeringen daarin voor de reductie van ongelijkheid is lang niet zo groot als de liberale partijen – huiverig als ze zijn voor serieuze inbreuken op de economische eigendomsstructuur – het doen voorkomen.

Ten eerste is het zo dat ongelijkheid in de schoolresultaten en mogelijkheden al van begin af aan inwerkt. Er bestaat inmiddels veel wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van armoede op scholing, en de uitkomsten tonen steeds weer aan dat armoede vrijwel letterlijk als een vergif werkt: het vermindert de capaciteiten van het brein, evengoed als het de sociale mogelijkheden reduceert. Zo vinden wij in de nieuwsbrief van de Harvard Neuroscience Institute het volgende:

Significant and continuing stress can have a negative impact on early brain development. The day-to-day adversity of severe poverty and parental mental health problems such as maternal depression, which has a higher prevalence among poor women, can compromise parent-child interaction. (…) Unrelenting stress in the absence of supportive relationships with adults—referred to as “toxic stress”—causes a prolonged activation of the body’s stress response system, which includes the release of stress hormones such as cortisol. Released by the adrenal gland, cortisol circulates in the brain during the body’s fight-or-flight response to stress. Under normal circumstances, cortisol has short-term benefits that help protect us from danger. When the cortisol system is repeatedly activated, however, levels of cortisol remain high and can actually damage the brain.

(2)

Dit lijkt ver weg van een politiek onderwerp als de ‘kenniseconomie’, maar het leidt tot de belangrijke conclusie dat de intellectuele en onderwijskansen van kinderen al bij voorbaat door ongelijkheid en armoede worden aangetast, ongeacht de kwaliteit of het karakter van het onderwijssysteem. Een tweede punt is dat het veelgeroemde voordeel van hogere opleidingen als middel tot hogere inkomens, en daarmee dus als steun in sociale mobiliteit, een categoriefout bevat. Het is uit de economische statistiek welbekend dat een persoon die een universitaire opleiding volgt over de loop van zijn of haar leven meer zal verdienen dan iemand met een MBO-opleiding, en die meer dan alleen een middelbare schoolopleiding, en zo voort (dit geldt ‘zelfs’ voor gesmade opleidingen als Wijsbegeerte en dergelijke). Het ligt dus voor de hand voor te stellen dat zoveel mogelijk mensen naar de universiteit moeten. Het probleem is echter dat wat voor een individu geldt, daarmee nog niet hoeft te gelden voor het collectief. Het loonvoordeel van een hogere opleiding is een relatief voordeel: een diploma hebben is alleen een voordeel als de meeste mensen er níet een hebben. Op het moment dat het algemeen wordt een bepaald diploma te hebben, verliest het zijn meerwaarde in termen van loon. Deze ontwikkeling is nu al zichtbaar: sinds de massale toestroom aan de universiteiten van de jaren ’60 en ’70, is het allang niet meer zo dat het equivalent van wat nu een Bachelordiploma heet een garantie is voor een goedbetaalde baan. Voor banen waar vroeger enige vorm van hoger onderwijs al voldoende was, is nu veelal een Masterdiploma vereist, en voor banen waar vroeger een universitaire studie volstond, is nu een doctoraat nodig. Kortom, het bezitten van een kwalificatie van hogere opleiding is een nulsom: de één zijn voordeel is de ander zijn nadeel, het is onmogelijk voor allen om hetzelfde voordeel te genieten.

Dit is eenvoudig te verklaren door in te zien dat de Nederlandse economie, zoals alle kapitalistische economieën maar een beperkt aantal ‘goede banen’ heeft, zoals John Marsh benadrukt in zijn uitstekende boek Class Dismissed(3). Wat als een goede baan wordt beschouwd is meestal een baan die relatief goed betaalt, die een zeker sociaal prestige heeft, en die ruimte geeft voor een zekere uiting van individuele creativiteit. In een gegeven economie is het echter nu eenmaal zo dat een bepaalde hoeveelheid sociaal noodzakelijke taken moeten worden uitgevoerd, van schoonmaak tot industriële productie, van landbouw tot transport. Sommige hiervan kunnen we in China laten doen, maar niet alles – de ‘dienstensector’ is dan in de praktijk ook vooral de sector die niet verplaatst kan worden. Tegelijkertijd zijn er een noodzakelijk beperkt aantal banen met relatief goed loon en sociale prestige, eenvoudigweg omdat dit relatieve kenmerken zijn, en dus ook hier weer geldt dat wat de één heeft, de ander niet heeft. Zoals Marsh het opsomt:

Regardless of how much use the poor make of their right to a good education, there are not enough decent and remunerative jobs — there are not even enough indecent and low-paying jobs — to go around. The number of heads of households living in poverty outnumbers the supply of job openings that would lift their holders and their families above the poverty threshold.

(4)

Niet omdat dit iets inherents is aan werk, maar omdat dit inherent is aan werk dat verdeeld wordt via een competitieve arbeidsmarkt. Als er ineens veel meer hoogleraren zijn voor hetzelfde werk, neemt hun loon en hun sociaal prestige onherroepelijk op den duur af. Idem dito met dokters, ingenieurs, advocaten, financiëel adviseurs, en ga zo maar door. (Hierbij laten we gender-aspecten voor het overzicht even achterwege.) Tegelijkertijd is het onmogelijk om de behoeften aan productie, transport, landbouw enz. onbeperkt door automatisering en technologie te vervangen, zonder dat dit de lonen in deze sectoren voor de overblijvende werknemers enorm doet toenemen (het fenomeen dat zoveel Oost-Europese loodgieters aantrekt). Zo is er een eindeloze verschuiving van wat ‘goede banen’ zijn, en een voortdurende verandering van de opleidingsvereisten van verschillende sectoren; maar de hoeveelheid ‘goede banen’ neemt niet toe ten opzichte van de bevolking.

Daarmee wordt het verwerven van eindeloze kwalificaties in de hoop iedereen ‘goede banen’ te geven zinledig. ‘Goede banen’ vereisen nu kwalificaties omdat er zoveel mensen zijn die zo weinig posities willen innemen, niet omdat kwalificaties ‘goede banen’ creëren voor iedereen. Tot aan de Eerste Wereldoorlog toe hadden advocaten en dokters in de Verenigde Staten bijvoorbeeld helemaal geen opleiding nodig, omdat vrijwel niemand een hogere opleiding had en daarom dergelijke relatieve eisen overbodig waren. Nu is dat anders. Veel van de ongelijkheid is dan ook ongelijkheid tussen relatief opgeleide werkers, niet alleen tussen de hoog- en de laagopgeleide. Aan deze vorm van ongelijkheid doen de voorstellen over onderwijsinvesteringen niets. Het najagen van een ‘kenniseconomie’ waarin iedereen door een hogere opleiding deelachtig kan worden aan voordelen die per definitie relatief zijn is als de verwoede pogingen van een hond, zich in de eigen staart te bijten.

Kennis als doel, niet als middel

Wil dit dan zeggen dat het allemaal maar onzin is om een goed opgeleide bevolking te willen? Niet helemaal. Wat in het gebabbel over de ‘kenniseconomie’ niet genoemd wordt is het enige werkelijke voordeel van hogere opleiding, één dat niets van doen heeft met de economie in enige directe zin: de intellectuele verrijking. Een goed opgeleide bevolking is een mondige, kritische bevolking en één die veel beter in staat is de creatieve eigenschappen en talenten tot ontwikkeling te brengen binnen én buiten de werksfeer. Of het nu gaat om het componeren van muziek of het doen van nieuwe technologische uitvindingen, van het schrijven van romans tot kritische beschouwingen over het politieke bestel, zonder een zo volledig mogelijke gedegen opleiding is het bijzonder moeilijk iets tot stand te brengen. Dit reduceren tot een term als ‘menselijk kapitaal’, zoals het wordt gezien in veel van de economische theorieën die de verkopers van de ‘kenniseconomie’ bewust of onbewust gebruiken, doet onrecht aan waar het in een maatschappij werkelijk om gaat.

Onze creatieve en intellectuele capaciteiten horen onszelf in de eerste plaats ten dienste te staan, als sociale en scheppende wezens, niet onderworpen te zijn aan de bijzonderheden van een arbeidsmarkt waarin ze slechts tegen elkaar uitgespeeld worden. Dit klinkt misschien wat utopisch, maar heeft niettemin een heel concreet karakter. Hoe minder tijd we kwijt zijn aan het werken om onszelf te onderhouden, en hoe beter opgeleid we zijn, hoe meer we in staat zijn voor onszelf en elkaar het moois te maken, te bedenken, te ontwerpen enz. dat ons leven überhaupt enige plezierige invulling geeft, en hoe meer tijd we ook voor elkaar hebben. Dat is een kwestie van het anders denken over de waarde van competitie, van werk en werkloosheid, en een andere toepassing van technologie. Een ‘kenniseconomie’ is het paard achter de wagen spannen.

1) Adam Smith, The Wealth of Nations, Book V, Chapter I, Part III, Article II.
2) http://www.hms.harvard.edu/hmni/On_The_Brain/Volume15/HMS_OTB_Winter09_Vol15_No1.pdf
3) John Marsh, Class Dismissed: Why We Cannot Teach Or Learn Our Way Out Of Inequality. New York, NY (2011): Monthly Review Press.
4) Marsh, p. 177.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie, Wetenschap

Groei of groen?

Marianne Thieme’s opinie-artikel in De Volkskrant is stimulerend lezen. Niet in de laatste plaats omdat zij een punt heeft betreffende de originaliteit van de Partij van de Dieren: de partij is (ondanks een toenemende media-aandacht) weliswaar nog steeds een zeer kleine partij, maar Thieme heeft gelijk als zij erop wijst dat alle andere partijen, GroenLinks niet uitgezonderd, op het economische vlak groei-georiënteerd zijn. Dat wil zeggen, in de huidige crisistijd is de strijd tussen de verschillende grote partijen vooral een strijd hoe Nederland weer uit de crisis komt en de juiste investeringen dan wel bezuinigingen doet om de economische groei te herstellen, de groei in het Bruto Nationaal Product dat als haast vanzelfsprekend wordt geaccepteerd als dè maatstaf voor het welzijn van het land in het algemeen. Op de discussie over de economische situatie van Nederland antwoordt zij terecht dat dit in veel opzichten vanuit een globaal perspectief een red herring is: “Onze schuld-, groei- en geldverslaving die ervoor zorgt dat al onze wensen en verlangens in geld als rekeneenheid worden uitgedrukt, benemen ons het zicht op de werkelijke problemen van schaarste en verdeling. (…) Economische groei is niet de oplossing van onze problemen, maar de oorzaak ervan.”

Dat is heldere taal, en een verfrissend nieuwe analyse. Omwille hiervan, vindt Thieme, is het tijd om te denken in termen van ecologische duurzaamheid en de verdeling van de taart (Thieme is dol op niet altijd even succesvolle taartmetaforen, zelfs een ‘groene taart’): een “planeetbrede beleidsvisie, los van het traditionele links/rechtsdenken.” Als men zich beseft dat net het nieuws is ontvangen dat het zee-ijs van de Noordpool een recordafname heeft laten zien, dat de visstand wereldwijd inmiddels zo dramatisch is dat het de vraag is of er überhaupt nog vis te eten zal zijn in 20-30 jaar, dat ieder jaar de datum waarop de draagkracht van de aarde – op basis van de huidige productiewijze – uitgeput is weer vroeger valt, dat anthropogene klimaatverandering een realiteit is (de recordhitte, record-vloedgolven, record-droogten en zo voorts maken dat inmiddels zelfs voor de skeptici voelbaar), en zo voorts, valt daar veel voor te zeggen. Het is in ieder geval een welkome ontwikkeling als de Nederlandse politiek haar provincialisme achter zich laat en toont zich er serieus van bewust te zijn dat een wereldwijd geïntegreerde politieke economie ook wereldwijde problemen en wereldwijde structurele fenomenen en tendenzen met zich mee brengt. Het is begrijpelijk dat in tijden van crisis mensen in eerste instantie aan eigen land en eigen portemonnee denken, maar desondanks is Nederland eenvoudigweg niet in een economische of politieke staat om meer te zijn dan een kleine Europese speelbal, onderhevig aan globale economische winden. Daarom is een eerlijke en onbevreesd internationale ideologie zoals die van de Partij van de Dieren meer dan welkom.

Toch is het niet zo eenvoudig als Thieme het doet voorkomen. Als het gaat om een kritiek op economische groei als hoogste waarde en politiek oriënterend concept, heeft zij volledig gelijk. Economische groei is een onduidelijk begrip: omdat groei wordt gemeten in termen van het Bruto Nationaal Product, en het Bruto Nationaal Product slechts een meting is van de waarde van iedere transactie in termen van de huidige prijzen, is het een concept dat lang niet altijd enige overeenkomst heeft met een verbetering van de leefsituatie voor de mediaan-burger. Integendeel: het is een bekend feit dat als persoon A betaald wordt om een put te graven en vervolgens persoon B betaald wordt deze put weer dicht te gooien, er tweemaal een toename is van het BNP, zonder dat in sociale termen iemand er iets mee opgeschoten is. Vervuilende productie telt als toename van het BNP, en het schoonmaken van de gevolgen ervan ook, mits deze maar via de markt tot stand komen. Met andere woorden, het is een buitengewoon rudimentaire categorie van distributie, van het heen en weer schuiven van geld en van wat al geproduceerd is, maar daarom een dubieuze en op zijn best indirecte maatstaf voor de levensstandaard, laat staan een algemener maatschappelijk welzijn.

Echter, het groene verhaal heeft desalniettemin een aantal duidelijke politiek-economische manco’s. De eerste is dat het globale besef van de groene beweging veelal wel een ecologisch, maar niet een duidelijk sociaal-economisch karakter heeft. Dat wil zeggen, hoewel het zonder meer waar is dat het Westen proportioneel voor de wereldbevolking een enorme overconsumptie van voedsel, energie, en wat dies meer zij toont, en dat dit op een globaal niveau technisch niet te handhaven is gegeven de effecten op het ecosysteem, is dat niet de enige relevante factor. Feit is dat voor de grote meerderheid van de wereldbevolking er een even sterke behoefte bestaat om net als de Europeanen en de Amerikanen voorzien te worden van koelkasten, van vliegreizen, van magnetrons, van camera’s, van computers, en zo voorts. Hoewel de Partij voor de Dieren, net als GroenLinks, een bewonderenswaardige rhetorische bereidheid laat zien om redistributie van welvaart naar de Derde Wereld te bevorderen, is het niet duidelijk of zij zich realiseren wat dit inhoudt. Als we uitgaan van de visie van het behoud van een ecologisch equilibrium zoals Thieme c.s. dat voorstaan, is het eenvoudig ondenkbaar dat de bevolkingen van India, China, Brazilië, Pakistan en Indonesië allemaal zouden kunnen worden voorzien van een levensstandaard zoals wij die genieten, zonder dat dit zou vereisen dat de wereldwijde productie vervijfvoudigt. De wereldeconomie heeft dat al gedaan sinds 1950, en dat is precies de oorsprong van de huidige ecologische crisis. Het kan niet zo zijn dat de groene partijen beogen dat nog eens te herhalen op basis van de huidige globale productiewijze.

Als Thieme daarentegen bedoelt het slechts te houden op een kwestie van distributie, dat wil zeggen de verdeling van de bestaande taart (om haar terminologie te volgen), dan is het evengoed onmogelijk. Als we ons wederom in arren moede wenden tot het BNP als een grove maatstaf van welvaart, dan zien we dat het wereldwijde BNP ongeveer 70 biljoen (70.000 miljard) dollar was in 2011, volgens de Wereldbank. Dat klinkt als veel, maar als we dat vervolgens delen door de wereldbevolking van 7 miljard, houden we $10.000 in BNP per hoofd van de wereldbevolking over. Dat is in huidige termen ongeveer het niveau van rijkdom van Peru of Turkije. Niet de allerarmste landen, maar het houdt niet over. Het is natuurlijk waar dat met een veel gelijkere verdeling de sociale levensstandaard hoger zou zijn dan je je bij dergelijke landen voorstelt (denk ook aan de enorme ongelijkheid in die landen zelf), en er valt veel te doen met weinig als je maar andere doelen voor ogen hebt dan de huidige productiewijze heeft. Maar het betekent onherroepelijk dat de Westerse levensstandaard van nu niet alleen in het Westen op zou houden te bestaan, en deze zou terugvallen tot een niveau meer vergelijkbaar met dat van de interbellum-periode, maar ook dat die levensstandaard door de grote ontwikkelingslanden nooit bereikt zou worden. Het is dus vaarwel zeggen tegen ipods, skivakanties en laptops voor de gewone burger. Dat is politiek moeilijk uit te leggen.

Goed, zou men kunnen zeggen. Misschien is dat slecht nieuws, en niet het meest winnende politieke programma ooit. Maar: don’t shoot the messenger – het blijft waar ook al willen mensen het niet horen. En is het nu zo erg om zonder al die luxegoederen te doen? Het probleem met een dergelijke redenatie is dat hoewel het de situatie en de oorzaken juist analyseert, het niet de vinger op de wonde plek legt als het om oplossingen gaat. Hoewel geld misschien niet gelukkig maakt, is een zeker minimumniveau van welvaart een vereiste voor een degelijk leven, en dat vereist een tamelijk hoog niveau van productiviteit. Dit is des te meer waar als we onze medische en technologische prestaties willen behouden en niet uit een misplaatst gevoel van reactionaire romantiek over ‘eenvoudig leven’ velen willen veroordelen tot een kortere levensduur of een vroege dood. Dat is tenslotte het lot van de meerderheid van de wereldbevolking nu, en daar zou het om te doen moeten zijn. Tegelijkertijd blijft de kritiek op de economische groei geldig. Wat is dan een mogelijke oplossing, als noch groen noch groei kan werken?

Om dit te doorgronden vereist niet het opgeven van systeemdenken op globale schaal zoals de groene denkers doen, maar een andere manier van systeemdenken. Het eerste principe wat moet worden opgegeven is het principe van het ecologisch equilibrium, van het balansdenken. Bijna altijd worden groene politieke ideeën gepresenteerd in termen van het behouden van een bestaande ecologische balans, van het ‘behoud van de natuur’ en dergelijke termen. Als het gaat om het handhaven van een zeker niveau van biodiversiteit is daar nog wat voor te zeggen, al is het nuttig op te merken dat de causale principes achter het toe- of afnemen van biodiversiteit en het succes of verlies van inheemse soorten in competitie met indringers vrijwel geheel onbepaalbaar zijn gebleken – voor zover de beste ecologen kunnen nagaan, is het een kwestie van chaos. In de door Bill Bryson geredigeerde bundel van populair-wetenschappelijke essays, Seeing Further, verklaart professor Steve Jones, hoogleraar genetica aan University College London:

Even on a much shorter timescale, the numbers of birds and mammals in a particular place when studied for long enough swing wildly for no obvious reason (as in the collapse of the British house-sparrow). Unexpected outbreaks can also destroy whole ecosystems (as in Dutch Elm disease, which appeared from almost nowhere and killed millions of trees). Such fluctuation might maintain a complex community with no external driver, in which case the paradox of the plankton (and, by extension, of land-based ecosystems too) could be explained in terms of random change.

(1)

Maar dat is nog één ding. Belangrijker is dat er geen reden is om uit te gaan van een wezenlijk statisch equilibrium zoals veel groen denken veronderstelt. Het een cliché te zeggen dat de aarde altijd al in verandering is geweest; nuttiger is om dat concreter te formuleren in termen van dynamisch-cyclische systemen. De aarde is, zoals Oliver Morton zeer onderhoudend benadrukt in dezelfde bundel, effectief drager van een reeks interactieve cyclische systemen. Zo is er de koolstofcyclus, de stikstofcyclus, de energiecyclus, en zo voorts. Samengevat:

Like the components of an astrolabe, the cycles of the Earth system seem to nestle within each other, arranged not by size – they are all, in the end, the size of the planet – but by intimacy and speed, reaching out from the food in our bellies and the wind on our faces to the vastest of vegetable empires and the yet slower, greater mineral realm. Our sweat, once evaporated, spends only days in the sky before falling back as rain. The carbon dioxide we breathe out may be in the air for decades before being eaten up by plants, or take refuge in the oceans for millennia before resurfacing. Other cycles are slower still. While nitrogen compounds can be pumped from sea to sky by microbes, once phosphorus makes its way from soil to the sea it has no easy way back to the atmosphere, and must wait millions of years before, incorporated into sediments, it is lifted up into new mountains to fertilise the soils again. The cycles interpenetrate in such ways all the time, passing through each other in a daunting clockwork of teeth and differentials, their nesting anything but neat, their gearing prone to glitches.

(2)

Wat dit betekent is dat het geen zin heeft te denken in termen van een enkele, statische aardbol die moet worden behouden zoals deze is. Integendeel, de cycli van energie, koolstof en zo voort zijn cycli die ten alle tijden beïnvloed worden door andere cycli, door de organismen van de aarde (die daar ook weer deel van uitmaken), en door min of meer exogene factoren zoals de inslag van asteroïden, de formatie van ijstijden, en zo voorts. De mens als enige organisme met het vermogen tot zelfbewustzijn en planning moet hier juist gebruik van maken. In plaats van behoud van een equilibrium dat, wanneer bezien vanuit een langere termijn, volledig illusoir zal blijken, moeten we juist proberen de cycli van de aarde bewust aan te passen naar ons welzijn. De huidige productiewijze beïnvloedt deze cycli vooral negatief, meest evident in de indirecte vorm van de klimaatverandering (indirect, omdat de het de positieve feedback loop is die zo’n sterk effect op het wereldwijde klimaat teweeg brengt, niet de onmiddelijke CO2-uitstoot zelf). Maar dat is niet noodzakelijk, en het is aan ons dat te veranderen. Maar dat kan alleen als uit het groene denken het conservatisme wordt weggenomen: de angst voor verandering, de vrees voor het ‘voor God spelen’, de onwil om globaal en revolutionair in te grijpen, de neiging tot kleinschaligheid en localisme in de marge.

Praktisch gesproken maken wij van deze cycli al gebruik: tenslotte is olie niets anders dan in de aarde opgeslagen en gecomprimeerde energie, en de nucleaire elementen zoals uranium zijn reactief omdat zij energie uitstralen die door de uitbreiding van het universum nog vóór de vorming van de aarde aan hen gegeven is. Maar als de mensheid bijvoorbeeld de cyclus van de ‘import’ van energie uit de zon en de distributie daarvan over alle organismen van de aarde kunnen bewerken door technologische toepassingen, hebben we een serieuze mogelijkheid om de tegenstelling tussen welvaartsgroei en energiegebrek op te lossen. Zo ook als wij massaal investeren in een cyclus voor hergebruik van de vele schaarse materialen, zoals de zeldzame metalen, die momenteel gebruikt worden in industriële productie; als we de geothermale cycli aanwenden voor het vrijmaken van enorme energiestromen in de plaatsen van de aarde waar dit mogelijk is; als we het globale transportnerwerk herinrichten ten behoeve van een geografische herverdeling van de productie op aarde, en zo voorts.

Kortom, het is niet een kwestie van behoud, en niet een kwestie van equilibrium, maar juist een kwestie van het in ons voordeel gebruik maken van de cyclische dynamiek van het ecosysteem. Er hoeft geen contradictie te zijn tussen verhoging van het welvaartsniveau door middel van grootschalige en efficiënte productie – een reëele en essentiële voorwaarde voor iedere vorm van welvaart – en het tegengaan van de ecologische crisis. Zowel economische als ecologische crisis zijn tegelijkertijd oplosbaar, en met dezelfde middelen. Maar dit vereist een omslag niet zozeer tegen het idee van groei van consumptie en levensstandaarden als zodanig, maar een omslag tegen het idee van groei dat inherent is aan de huidige productiewijze, kortom een omslag tegen kapitalistische groei. Wat dit vereist is een grootse investering in wetenschap en technologie, niet alleen in de vorm van het ontwikkelen van zonnepanelen en dergelijke, maar ook in de ontwikkeling van de theorie van complexe systemen, in de wiskunde van logistiek, in onze kennis van chaotische en dynamische feedback, en zo voort. Het vereist ook de politieke wil en het politieke vermogen zulke kennis en technologie ook werkelijk globaal te implementeren. Kortom, het vereist een omslag van het denken van de groei in de anarchie van de markt naar de groei door rationele planning en kennis van complexe systemen. Het is een omslag van Hayek naar Marx. Zulks is natuurlijk niet te verenigen met de belangen van de handel, en de politiek-economische structuur van accumulatie die de huidige productiewijze kenmerkt. In dat opzicht heeft Marianne Thieme zonder meer gelijk: díe groei kunnen wij ons niet meer veroorloven.

1) Steve Jones, “Ten Thousand Wedges: Biodiversity, Natural Selection, and Random Chance”. In: Bill Bryson (ed.), Seeing Further: The Story of Science & The Royal Society (London 2010), p. 212.
2) Oliver Morton, “Globe and Sphere, Cycles and Flows: How To See The World”. In: Bryson 2010, p. 284.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie, Wetenschap

Monopolies in de wetenschap

De wetenschap monopoliseert. Dat wil zeggen, de druk om wetenschappelijke prestaties en resultaten te kwantificeren leidt er toe, dat het proces van wetenschappelijk onderzoek steeds verder vervormd raakt. Al sinds jaar en dag klagen sociale en geesteswetenschappers over niet alleen de onevenredige financiëring van hun onderzoek, maar des te meer nog over het van overheidswege opgelegde model van publicatie. Kort gezegd, inhoudelijk betekent dit dat wetenschappelijke publicaties worden beoordeeld in een soort puntensysteem, waarbij publicaties in tijdschriften bijzonder hoog tellen, en overige publicaties (populaire werken, monografieën, wetenschappelijke bundels, enz.) aanzienlijk minder. Dit is een publicatievorm die met name voor de hand ligt in de natuurwetenschappen, waar er meestal slechts een klein aantal gerenommeerde tijdschriften zijn voor een gegeven specialisme, en waar wiskundig of laboratoriumonderzoek veelal een helder en vooral een concreet kort samen te vatten resultaat oplevert, dat onmiddelijk voortbouwt op voorafgaand onderzoek. Dat is soms, maar lang niet altijd het geval aan de andere kant van de academische scheidslijn. In sommige vakgebieden zoals sociologie of geschiedenis gaat het nog, maar zelfs daar is het boek, dat klassieke medium, toch nog steeds het meest voor de hand liggende vehikel voor wetenschappelijke uiteenzetting. Des te meer daar theorievorming en methodologische overwegingen vaak een grotere rol spelen, en deze veelal een uitgebreidere uitleg vergen en dus niet makkelijk zich laten inpassen in een tijdschriftartikel van maximaal 20-30 bladzijden.

Dit alles is nog tot daar aan toe. Maar de strijd om de prestige en het overheidsgeld wordt hierdoor niet alleen kunstmatig via tijdschriftartikelen gekanaliseerd, maar er zit ook een veelal niet opgemerkte commerciële adder onder het gras. Laat het nu zo zijn dat er slechts enkele grote firma’s zijn die zich toeleggen op het uitgeven van wetenschappelijke tijdschriften; dat zulke tijdschriften door maar zeer weinigen gelezen worden; dat de abonnementen op dergelijke tijdschriften daarom buitengewoon duur zijn; dat niettemin academische bibliotheken een captive market vormen voor verkoop van zulke abonnementen, omdat ze de tijdschriften wel moeten hebben; en dat tenslotte het auteursrecht het monopolie op de inhoud geeft aan de uitgevers, een handvol grote bedrijven. Men kan wel nagaan dat dit een buitengewoon winstgevende onderneming is, een winst die enkel en uitsluitend bestaat dankzij de combinatie van het wettelijk monopolie verleend door auteursrecht en de afhankelijke positie van de universiteiten. Zelfs een kleine Nederlandse academische uitgever zoals Koninklijke Brill (uitgever onder andere van de Marxistische serie Historical Materialism!) maakt een nette miljoenenwinst, terwijl grotere firma’s zoals Wiley, Elsevier, en Springer een winstmarge op ingelegd kapitaal hebben van meer dan één-derde, ver boven de gemiddelde winst van een commerciële uitgever. (Ter voorbeeld: een jaarabonnement voor een enkel individu op het toonaangevende Journal of Hellenic Studies kost $200; het lezen van één artikel kost al $20. Dit geeft dan bovendien geen toegang tot het archief.)

Wat kan ons dit alles schelen? Nu, het is in de eerste plaats een twijfelachtig gegeven dat private firma’s uitstekende winsten kunnen maken dankzij een monopolistische toe-eigening van wetenschappelijke kennis die gegenereerd is uit onderzoek dat het algemene publiek betaald heeft. Dat zou iedere belastingbetaler van belang moeten vinden. Maar daar komt nog eens bij dat het de monopolisten een motief geeft om te proberen de algemene verspreiding van de wetenschappelijke kennis in hun tijdschriften te verhinderen. Immers, dat kan ten koste gaan van de noodzaak abonnementen (veelal online) aan te schaffen, waar zij hun geld uit halen. En dit komt vervolgens ten koste van de toegang tot wetenschap die het algemene publiek zou mogen verwachten. Niet alleen als sociaal wenselijk product, resultaat van de gemeenschappelijke ‘investering’ in de academie, maar ook omdat een zo breed mogelijke toegang tot dergelijke kennis het intellectueel peil van de bevolking verhogen kan. En men kan nooit weten wat iemand er mee doen kan.

Het belang van de algemene toegankelijkheid van wetenschappelijke tijdschriften is recent nog weer eens benadrukt, toen een 15-jarige jongen in de Verenigde Staten een wetenschappelijke prijs van $75.000 won door een verbeterde methode voor het vaststellen van alvleesklierkanker uit te vinden. Deze methode werkt, volgens het BBC-verslag, maar liefst 168 keer zo snel als de tot nu toe gangbare methode, en is bovendien goedkoper. En hoe heeft een tiener dit bereikt? Precies, door online te zoeken in wetenschappelijke tijdschriften en documentatie. Iets wat onmogelijk zou zijn, als alle wetenschappelijke kennis achter de paywalls van Elsevier en Informa verdwijnt.

Er zijn dus twee goede redenen om de monopolisering van wetenschap door commerciële uitgevers te bestrijden. Ten eerste omdat het effectief betekent dat een gemeenschappelijk goed, dat ook gemeenschappelijk betaald is, zomaar wordt toegeëigend door privé-firma’s, die bovendien een monopolierecht verwerven op het intellectueel eigendom (wat tenslotte alleen als monopolie bestaat). Ten tweede omdat het onbekende, ongeziene sociale kosten met zich meebrengt: namelijk de kosten van alle ontdekkingen, ideeën en wetenschappelijke ontwikkeling die mensen niet doen en niet doormaken omdat zij redelijkerwijs niet de exorbitante kosten van abonnementen op wetenschappelijke tijdschriften kunnen opbrengen. In een tijd waarin op ieder gebied het traditionele verhandelbare monopolie van het auteursrecht achterhaald wordt door de verbeterde technologie – denk aan het achterhoedegevecht dat RIAA, Stichting Brein enz. voeren om het online verspreiden van bestanden tegen te gaan – is een dergelijke politiek-economische constructie niet te verdedigen. Het wordt tijd dat publicatie in publiek toegankelijke tijdschriften, niet duurder dan men zou verwachten van een uitgave voor algemeen nut, standaard wordt.

1 reactie

Opgeslagen onder Economie, Wetenschap