Het Einde van Frontaal Naakt

Niet lang geleden, pakweg een halfjaar ofzo, besloot ik vanuit den vreemde eens te zoeken op Twitter naar Nederlandstalige personen en blogs die een kritisch perspectief op Nederlandse zaken zouden kunnen bieden. Door het soort gelukkig toeval dat het internet zo vaak biedt, kwam ik al snel uit bij Frontaal Naakt, de blog van Peter Breedveld. Al snel werd dit de enige blog in het Nederlands die ik systematisch las, zowel door de moedige en principiële manier waarop Breedveld en kompanen de schier eindeloze horden domrechtse kleinburgerij te lijf gingen, als ook door de scherpte, de levenslustigheid, en de intellectuele belangstelling die sprak uit de artikelen. Breedveld’s stijl is vlijmscherp en polemisch, vrijwel altijd raak, onbevreesd een duidelijk standpunt uit te dragen zonder de behoefte eindeloos concessies te doen. Hij heeft bovendien het zeldzame talent grappig en effectief te zijn in polemiek zodanig dat ook als je het niet met hem eens bent, het een genoegen te lezen is – iets wat sinds het overlijden van de grote W.F. Hermans in de jaren 90 in Nederland eigenlijk niet meer voorgekomen is. Als duo met de vertaalster en televisieproducente Hassnae Bouazza, wiens interessante en nuttige boek Arabieren Kijken ik recent recenseerde op deze blog vormden zij een ongebruikelijk geluid in het hedendaagse Nederland: stijlvol, vrijheidslievend, en een rots in de branding in de strijd tegen racisme, immigrantenhaat en alle vormen van klein-rechtse uitstulpingen. Zo leerde ik de site kennen.

Het is dan ook met bijzondere ergernis en teleurstelling dat ik heb moeten vernemen dat de site er mee op houdt. De laatste druppel was een artikel van een zekere Elma Drayer in het dagblad Trouw, waarin de site en in het bijzonder Breedveld en Bouazza zelf werden afgeschilderd als rabiate anti-semieten en als symbool voor al het Nieuwe Kwaad dat overbetaalde, luie dagbladjournalisten in het internet menen waar te nemen. (Hier in Londen schrijven journalisten voordurend over hoe de toegankelijkheid en laagdrempeligheid van het internet een gevaar vormen voor de journalistiek, alle inhoud dreigen te doen verdwijnen, en zo voort; zonder uitzondering zijn deze lamentaties altijd van de hand van de minst competente, meest intellectueel luie vertegenwoordigers van de traditionele media.) De beschuldigingen waren zonder uitzondering gebaseerd op uit hun context gerukte frasen gebruikt voor polemische doeleinden, vaak zelfs expliciet sarcastisch – iets wat ook maar de minste poging onderzoek te doen onmiddelijk zou uitwijzen. Maar een van ’s lands grootste dagbladen mocht rustig een onbetaalde blogger belasteren en zwartmaken zonder dat deze ook maar een recht op repliek had, en dat nog wel onmwille van de strijd tegen racisme, terwijl Breedveld en Bouazza zich nou juist bij uitstek tegen de nieuwe salonfähigkeit van racisme in Nederland hadden gericht! Ondertussen mag Joost Niemöller, die er expliciet ‘wetenschappelijke’ rassentheorieën op na houdt, rustig stukjes schrijven voor HP/De Tijd, de NCRV, en de Volkskrant.

Het is een verbluffend maar treurig feit dat ondanks alle vijandigheid jegens migratie, alle klachten over buitenlanders en zo voort in dit land, er nergens in het Verenigd Koninkrijk zo systematisch en in zulke invloedrijke sferen openlijk racisme en volkerenhaat wordt bedreven als in Nederland het geval is. Mijn moederland begint hier aan de andere kant van het kanaal een toenemend gure reputatie te verwerven die met Griekenland en Italïe kan wedijveren op het gebied van xenofobie. Vaak vraagt men mij: “wie heeft er toch jullie land overgenomen, dat het nu zo is?”. Ik probeer altijd uit te leggen dat de ‘tolerante’ reputatie van Nederland altijd al meer schijn dan werkelijkheid is geweest, en Nederland heeft altijd uitgeblonken in moraliserende hypocrisie, maar het kan niet ontkend worden dat er nu op TV en in dagbladen dingen gezegd worden die in de jaren ’80 uitsluitend het domein van neo-fascisten waren. Als zelfs in de grote kranten openlijk racisme bedreven kan worden, en ieder mogelijk tegengeluid onmiddelijk wordt afgedaan onder het mom ‘we moeten de problemen benoemen’ of als overblijfsel van de afgedane ‘linkse kerk’, dan is een onafhankelijke site die niet bang is de strijd aan te gaan des te meer nodig.

Ik geloof niet dat echt fascisme, mocht het zover komen, met woorden alleen bestreden kan worden. Maar wat wel kan is de verbale en intellectuele strijd aangaan met alle fellow travellers van nieuw-rechts: de mensen die rassentheoriëen accepteren, die Israël steunen om de Arabieren een lesje te leren en zoiets doodernstigs als anti-semitisme bagatelliseren en misbruiken voor manipulatieve doeleinden, de mensen die natuurlijk niets hebben tegen buitenlanders ‘maar er is toch wel een probleem’, de lieden die uitentreure herhalen hoe je ‘nooit iets mag zeggen over immigratie’ wanneer er in Nederland al tien jaar over niks anders gesproken wordt en nooit positief, de nette burgers die vinden dat het antwoord op ieder politiek en economisch probleem is om ‘hard in te grijpen’ en nooit vragen wat dat doet of betekent. Dát deel van de bevolking, die wijze van denken die nu dominant is in Nederland (voor zover ik vanuit Londen kan overzien), daartegen is een krachtig tegengeluid op zijn plaats.

Ik verwijt Breedveld natuurlijk niets – Bouazza en hij hebben een waarlijke storm van bedreigingen, beledigingen, chantagepogingen, aanklachten en alle mogelijke zwartmakerij moeten ondergaan, zonder uitzondering natuurlijk precies uit diezelfde hoek die altijd en overal iedereen die iets anders zegt onmiddelijk het verwijt maakt de ‘vrijheid van meningsuiting’ niet te waarderen. Maar het kan nieuw-rechts helemaal niets schelen, de vrijheid van meningsuiting. Sterker nog, ze haten het, met een diepe haat: wat zij willen is vrijheid voor racisme, xenofobie, intimidatie en de aggressie van het onderbuikinstinct. Enige andere vrijheid proberen ze met alle middelen te kop in te drukken, daarin bijgestaan door de onvoorstelbare hypocrisie en lafheid die veel van het Nederlands medialandschap laat zien. Dat is een bijzonder zorgelijke trend, en dat ze zelfs zulke sterke schrijvers als Peter Breedveld hebben kunnen intimideren via geliefden, werk en familieleden toont eens te meer aan dat helemaal niemand veilig is voor de grijze golf die over Nederland spoelt.

Voor mij persoonlijk was Frontaal Naakt een inspiratie om ook in het Nederlands te gaan schrijven. Het einde van Frontaal Naakt is evengoed een inspiratie, een oproep om de infantiele kleinburgerlijke Latter Day-kruisvaarders niet het terrein zonder strijd af te staan. Dankzij de globale economische crisis slaan in allerlei landen de populistische tendenzen al snel om in onverhuld fascisme, zoals te zien in Griekenland, Rusland en Hongarije; het is tijd dat in Nederland progressieve mensen zich organiseren om op zijn minst te laten horen dat het ook anders kan. Verder wens ik Breedveld en Bouazza een rustiger, plezieriger tijd tegemoet, en hopelijk kunnen we meer van hen horen in een andere context of op een ander medium.

2 reacties

Opgeslagen onder Media, Politiek

Boekrecensie: Hassnae Bouazza, “Arabieren Kijken”

Als de gelegenheid zich voordoet, bezoek ik graag een volkenkundig museum. Hoewel het concept – een min of meer arbitraire verzameling van religieuze, militaire, en alledaagse voorwerpen uit niet-Westerse civilisaties – de oorsprong van de anthropologie in het Europees kolonialisme verraadt, geeft het voor de kosmopolitische bezoeker niettemin een interessant en stimulerend overzicht van de diversiteit en rijkdom van de culturen van alle delen van de wereld en alle tijdperken. Om voorbij de koloniale denkwijze te komen valt echter nog niet mee. Zelfs nu nog wordt men in West-Europa, vaak onbedoeld, opgevoed met een oriëntalistisch en exotiserend wereldbeeld, waarin ‘vreemde’ volkeren en culturen vooral dienst doen als de ultieme tegenhanger van het Europese: wat men in de postkoloniale theorie ‘de Ander’ noemt, met een hoofdletter. De Ander is altijd het omgekeerde van hoe de Europeaan zich ziet: vrouwelijk waar de Europeaan mannelijk is, religieus waar hij rationeel is, traditioneel waar hij wetenschappelijk is, collectief waar hij individueel is, en onderdrukkend waar hij vrij is. Expliciet racisme en het indelen van volkeren in hogere en lagere groepen is niet langer zo salonfähig als het in de Victoriaanse tijd was, maar het koloniale wereldbeeld over de Ander is onderhuids nog overal aanwezig, zelfs onder een hoogopgeleid publiek.

Het is om die reden dat ik juist graag dergelijke musea bezoek. Zij vormen een uitstekende uitdaging, een mogelijkheid tot het uitvoeren van een noodzakelijke mentale correctie. Een goede dekoloniserende oefening in deze, heb ik gemerkt, is het bezoeken van de afdelingen Noord-Amerikaanse, Afrikaanse en Polynesische culturen (zelf al een vreemde categorie): want de standbeelden, sieraden, wapens en kleding van deze werelddelen in de 19e eeuw en langer geleden zijn zo Anders dan Europa als het maar kan. De clou zit hem er in om vervolgens bij elk voorwerp – steevast voorzien van een etiket met de inhoudsloze omschrijving ‘ritueel’ of ‘traditioneel’ – te proberen te bedenken, wat ‘wij’ als sociaal en cultureel equivalent hebben. Dit is vaak na enige reflectie heel goed mogelijk.

Neem bijvoorbeeld de totempaal: een vast symbool in de populaire cultuur van de bizarre, obsessief religieuze cultus van Noord-Amerikaanse Indianen. Maar in werkelijkheid is het goed te begrijpen: de dieren op de totempaal staan voor symbolische dieren waarmee een clan zich via haar voorouders identificeert, en de combinatie van dieren is uniek voor iedere clan en voorziet die clan symbolisch van de betreffende eigenschappen die aan de dieren worden toegeschreven. Is dit exotisch en onbegrijpelijk? In het geheel niet, want het is daarmee het culturele equivalent van het middeleeuws Europese wapenschild: een erfelijk clan-symbool met dieren en figuren die de wenselijke karakteristieken van de familie dienen uit te beelden. (Daar komt nog bij dat de totempaal alleen onder de Kwakiutl en andere volkeren van het noordwesten voorkomt, maar dat terzijde.) De bizarre maskers, vaak aantrekkelijk en afstotelijk tegelijk, gebruikt in sommige delen van Afrika voor initiatierituelen lijken zo exotisch als het maar kan. Maar zoek naar onze eigen gebruiken in deze, en het wordt al snel duidelijk hoeveel vergelijkbare wij hebben: ik kreeg van mijn vader voor mijn 18e verjaardag een driedelig pak, zodat ik goed gekleed naar een ‘formeel’ schoolfeest ter afsluiting van het schooljaar kon gaan. Dragen wij niet een pak precies op de momenten waarin wij niet als onszelf, als individu, optreden, maar geacht worden de volwassen burger als zodanig te vertegenwoordigen in een culturele context?

Een dergelijke actieve poging tot dekolonisatie van de geest is niet alleen verrijkend en inzichtelijk, maar ook van groot politiek belang. Zoals de postkoloniale literatuur duidelijk maakt is het zelfversterkende effect van het beeld van de Ander dat deze gedehumaniseerd wordt. Dehumanisatie is de noodzakelijke voorwaarde tot onverschilligheid, haat, en zelfs geweld jegens gehele bevolkingsgroepen en collectieven, zoals de geschiedenis maar al te vaak laat zien. Niet voor niets gaat aan iedere oorlog, ook nu nog, een proces vooraf van dehumanisering van de tegenstander: de tegenstander is altijd onredelijk, fanatiek, vol haat, laf, immoreel, onderdrukkend, en cultureel inferieur, en verdient daarom de ‘correctie’ die de oorlog zal brengen.

Maar zelfs buiten een oorlogscontext worden minderheden vaak onderworpen aan een dergelijk discours. In Nederland heeft dit in de laatste tien, vijftien jaar een bijzonder grote vlucht genomen, waarbij duizenden kleinburgers hun provinciale non-bestaan een nieuwe glans geven door zich op te werpen als beschermers van de superieure ‘Westerse’ of ‘Judeo-Christelijke’ cultuur tegen de invasie van de barbaarse horden. Met deze horden, die gelden als fanatiek, vol haat, laf, immoreel, enz., bedoelt men dan de goedkope arbeiders die door het Nederlandse bedrijfsleven in de jaren ’60 en ’70 naar Nederland zijn gehaald om het loonpeil te drukken, en hun nazaten die in Nederland geboren en getogen zijn. Er lijken vrijwel geen grenzen te zijn aan de mate waarin in Nederland de medeburgers van Arabische komaf, en moslims in het algemeen (vaak ten onrechte als dezelfde groep gezien) als collectief worden gedehumaniseerd, zwartgemaakt, en geëxotiseerd tot in het absurde. Gezien de geschiedenis van dergelijke tendenzen is dat een bijzonder zorgelijke ontwikkeling.

Vandaar dat het zo nuttig en waardevol is dat schrijfster en vertaalster Hassnae Bouazza een boek heeft geschreven met het expliciete doel om de Arabieren en de Arabische wereld menselijk en begrijpelijk te maken. Wat Joris Luyendijk in meer politieke zin al deed in Het Zijn Net Mensen, doet Bouazza voor het alledaagse leven, de seksualiteit, de populaire cultuur, en de beleving van moraal en religie in de Arabische wereld. Hierbij gaat het niet alleen om Marokko, waar Bouazza’s familie vandaan komt en dat in Nederland als prototype geldt voor de Arabische wereld, maar om de hele diversiteit aan landen van Libanon en Syrië tot Egypte en Algerije. Ondanks de proliferatie van de voor velen ongebruikelijke namen is het boek van Bouazza uitstekend leesbaar en geeft zo een nuttige stoomcursus in de populaire cultuur van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het boek beschrijft welke popmuziek populair is of was, welke films gelden als klassiekers, welke sterren op televisie verschijnen en waar de talkshows over gaan, wat de vooroordelen van de Arabische landen over elkaar zijn, hoe men in de praktijk wel of niet de traditionele patriarchale regels volgt, en de vele manieren waarop Arabieren er in slagen, net als iedereen elders in de wereld, om hun leven kleur te geven met seks, liefde, en escapisme.

Het komt voor de lezer die wat verder kijkt dan zijn neus lang is niet als een verrassing dat de Arabische bevolkingen net zo divers zijn in meningen, beleving van de moderniteit, en ambivalentie jegens morele voorschriften als overal onder de mensheid het geval is, maar voor het hedendaagse Nederland kan dat feit niet vaak genoeg tot een werkelijkheid gemaakt worden. Bouazza nodigt de lezer uit deel te nemen in de belevingswereld van de hedendaagse Arabische cultuur, en daarmee deze een deel te maken van de bredere wereldcultuur waar wij allen in participeren. Het boek is uitdrukkelijk geschreven voor Nederlanders, en doet hiermee voor de Arabische culturen wat ik hierboven illustreerde: een soort anthropologische vertaalslag, maar in narratieve vorm, niet academisch.

Zij doet dit met humor, nuchterheid, en niet zonder een kritische toon – zowel jegens de wederopleving van stricte patriarchale religie in de Arabische wereld (veelal voorzien van geld uit de Golfregio) als ook jegens het hedendaagse Nederland, dat wat kritiek van buitenaf goed kan gebruiken. Nederlanders vergeten ook snel hoe recent veel van de vanzelfsprekendheden zijn: vrouwen hebben pas een onafhankelijk recht op hun eigen inkomen sinds de jaren 80, en de generatie van mijn ouders herinneren zich nog goed dat getrouwde vrouwen routineus ontslagen werden omdat hun man nu voor hen zou zorgen, en dat kinderen geboren buiten het huwelijk met de neus aangekeken werden. (Ik ben zelf van de eerste generatie die daarmee geen problemen ervaren heeft.)

Hassnae Bouazza benadrukt met haar boek de onwerkelijke, obsessieve misrepresentatie van de Arabische wereld en cultuur die gangbaar is in Nederland, in het bijzonder bij het nieuwe rechts. Het is alsof men in het buitenland Nederland zou reduceren tot voetbalhooligans en de SGP. Maar, zoals zij terecht opmerkt, dit verwrongen beeld van een cultuur zo rijk, divers, en evengoed vaak hypocriet en oppervlakkig als ieder ander is een beeld waar de kleinburgers niet vanaf willen: de dehumanisering van de Arabische wereld dient hen tot een vijandbeeld dat hen lief is, een boeman wiens aanwezigheid hun eigen bestaan meer significantie geeft dan het werkelijk heeft. Zo is het altijd met samenzweringstheorieën, van wat voor soort ook: het gevoel de enige te zijn die de vijand werkelijk doorheeft en de laatste verdediging ertegen uitmaakt is een bevredigende gedachte, zelfs al behoort het geheel in het domein van de verbeelding.

Het is daarom helaas niet te verwachten dat Bouazza’s informatieve, vermakelijke, en soms roerende boek bij dit publiek veel teweeg zal brengen. Voor de geïnteresseerde leek, echter, is het een ideale introductie tot wat de ‘gemiddelde Arabier’ bezighoudt, voor zover zoiets bestaat. De persoonlijke elementen van het verhaal, waarin de auteur haar eigen familie-ervaringen beschrijft evenals de hopeloze pogingen de stroom van fanatieke obsessie met Arabieren en de Islam te keren, geven het geheel een vorm die een opsomming van TV-personages anders niet gehad zou hebben en die het boven het encyclopedische uittilt. Tenslotte is het vlot en leesbaar geschreven en, zoals een Nederlands publiek dat graag ziet, niet lang. Zeker aan te raden, en hopelijk leidt het ertoe dat in Nederland met een minder koloniale blik naar de Arabische wereld wordt gekeken.

1 reactie

Opgeslagen onder Boekrecensie

Nostalgie

Het is een tijd van crisis – de meest ernstige sinds de Grote Depressie. De welvaart in West-Europa stagneert of neemt af, overal zijn bezuinigingen en noodmaatregelen aan de orde van de dag, en de relatieve positie van Europa in de wereld komt elke dag verder in het gedrang. Het is dan ook niet verbazend dat onder de bevolking gevoelens van spanning en angst lijken te regeren. Normaliter zijn er onder zulke omstandigheden twee reacties mogelijk. Men kan de vlucht naar voren kiezen, en proberen toekomstgericht veranderingen door te voeren zodat de huidige situatie zich niet weer voor zal doen; de andere optie is de terugblik, de wens dat dingen weer zullen zijn zoals ze vroeger waren, de behoefte een oudere orde die als beter wordt gezien te herstellen. Deze optie, de nostalgie, lijkt op het moment bijzonder sterk in West-Europa, misschien dominant zelfs, op een manier die het in lange tijd niet geweest is. Vanuit het oogpunt van een ernstige crisis van economische èn politieke aard, maar met een nog steeds aanzienlijk hoge levensstandaard, is het misschien begrijpelijk dat de nostalgische denkwijze overwegend de meest populaire is. Maar zoals verschillende voorbeelden van nostalgisch denken duidelijk maken, brengt het serieuze intellectuele en politieke problemen met zich mee.

Het zogenaamde ‘Marokkanenprobleem’, beter gezegd het voortdurende gevoel van vijandigheid en onbehagen jegens de vaak tweede of derde generatie niet-Westerse migranten in Nederland, is een ‘probleem’ dat voor een groot gedeelte bepaald wordt door nostalgische gevoelens. Hier spelen twee factoren. Ten eerste is er het gevoel dat met de massa-migratie ook de misdaad en de onveiligheid enorm toegenomen is, een sentiment dat zich weinig laat beïnvloeden door de daadwerkelijke misdaadcijfers, die juist de laatste twee decennia een stagnatie of daling van de misdaad laten zien. Zelfs onder de intellectuele, GroenLinksige middenklasse hoor je geregeld opmerkingen over hoe ‘vroeger in het dorp je nooit de deur op slot hoefde te doen’ en hoe in de ‘probleemwijken’ niet te leven is, terwijl vroeger kon je nog veilig over straat naar de opera zonder lastig gevallen te worden, en zo voorts. Dat de cijfers inderdaad een disproportionele rol in de misdaad (zelfs gecorrigeerd voor inkomen en opleiding) van jongemannen uit bepaalde etnische groepen aanduiden, maakt van dit instinct een grotere werkelijkheid in de alledaagse beleving.

Dit wordt nog eens versterkt door de andere nostalgische factor: het gevoel dat ‘we ons land kwijt zijn’, dat als je over straat loopt in bepaalde buurten er bijna geen witte gezichten meer zijn, dat men overal andere talen dan Nederlands spreekt, ‘onze tradities’ worden aangetast (vandaar dat incidenten rond 4-5 Mei bijvoorbeeld zo’n weerslag hebben), en zo voort. Hier spreekt een sterke culturele nostalgie uit die niet goed begrepen wordt door de kosmopolitische, hoogopgeleide delen van de bevolking, maar zonder meer enorm bijdraagt aan het succes van nieuw-rechts. Dit uit zich politiek dan ook als het idee van ‘het verraad van de linkse elite’ – een vreemde constructie, in de meeste historische situaties een contradictio in terminis, maar een bijzonder gevaarlijke en potente gedachte in situaties waarin een aanzienlijk deel van de bevolking er een revanchistische nostalgie op na houdt. De parallellen met de Dolchstosslegende, die de Weimar-republiek in zijn greep hield en bijdroeg aan de delegitimering van de linkervleugel en de opkomst van de fascisten, dringen zich op.

Ook in andere domeinen is er een nostalgische tendens gaande. In het Verenigd Koninkrijk werd het nieuws onder andere bepaald door de parlementariër Diane Abbott, die een campagne begon tegen de ‘hyperseksualisering’ van de maatschappij en de dominantie van sex en sexueel denken onder jongeren, in het straatbeeld, en zo voort. Dit volgt slechts korte tijd nadat de Britse justitie (uiteindelijk zonder succes) de carrière van een hoge ambtenaar ruïneerde door hem te vervolgen voor obsceniteit, omdat hij pornografie bezat van een aantal fisting-scènes, en de eveneens mislukte vervolging van een freelance-escort voor het produceren van homoseksueel BDSM-materiaal. Zulke vervolgingen gebeuren in Nederland misschien niet snel, hoewel de wet op dit gebied bepaald niet helderder geregeld is, maar de geregelde morele panieken over het seksueel gedrag van jongeren, de ‘verslavingen’ aan pornografie, evenals de angst voor naaktheid zijn bepaald niet ongebruikelijk.

Het is dan ook van belang om op te merken dat Abbott, in tegenstelling tot wat je misschien zou denken, een Labour-parlementariër is, en wel van de linkervleugel van de partij. In het Verenigd Koninkrijk is het juist de linkervleugel van Labour die zich vaak uitgesproken nostalgisch opstelt. Tony Blair’s overwinning in de jaren ’90 werd sterk bepaald door de hekel die men toen had aan het nostalgische van de Conservatives, maar óók van Labour-links. Echter in de huidige omstandigheden, jaren van crisis in plaats van een boom, is nostalgie ineens weer in de mode. Net als in Nederland is het de band van politiek links met de vakbonden die vaak een nostalgische politiek versterkt: vakbonden zijn tenslotte in de eerste plaats defensieve instituties, en hebben in een (post-)sociaal-democratisch land eerder als doel om de bestaande orde te verdedigen dan om een vernieuwende strijd om structurele verandering te voeren. Dat leidt vanzelf tot een nostalgie voor de jaren ’60 en ’70, toen ‘onze verworven rechten’ nog zeker waren, de lonen hoog, de pensioenen uitstekend, en zo voort. Ook dit patroon is overal in West-Europa terug te zien, en speelt een grote rol in de politiek van het verzet dat de linkervleugel in verscheidene landen probeert te voeren tegen het bezuinigingsbeleid.

Maar nostalgie is op den duur een schadelijke en onproductieve strategie en een gevoel zonder basis in de realiteit, en we moeten ons er tegen verzetten. Ten eerste is nostalgie incoherent: het gevoel van ‘vroeger’ lijkt in sterke mate bepaald te zijn door de ervaring van de jaren ’50 en ’60, toen de generatie die nu de pensioenleeftijd nadert jong was. Het zal wel zo zijn dat er toen minder misdaad was, er meer gevoel was van sociale cohesie, en zo voort. Maar deze jaren waren vanuit economisch historisch opzicht bijzonder ongebruikelijk: eigenlijk de enige periode in de moderne geschiedenis dat de welvaart voor iedereen (in het Westen) toenam, dat overal de levensverwachting steeg, de productiviteit enorm verbeterde, en de voordelen hiervan bovendien relatief breed verdeeld werden. Men zou kunnen zeggen dat, in ieder geval in West-Europa en Noord-Amerika, de jaren ’50 en ’60 de enige periode waren dat het kapitalisme werkte. Maar dit is uitzondering, niet regel: de periodieke zekerheid van crisis werd erdoor niet opgeheven, en met de jaren ’70 was de droom voorbij. Sinds pakweg 1800 is de situatie van grote ongelijkheid, ernstige werkloosheid, zeer grote verschillen in groei of afname van de levensstandaard tussen verschillende bevolkingsgroepen, een politiek beleid expliciet in het voordeel van een kleine economische elite, en wat dies meer zij, juist aan de orde van de dag geweest – dít is de representative situatie. Wat we nu meemaken is, inderdaad, the new normal; maar alleen maar ‘new’ vanuit een zeer kortzichtig historisch perspectief.

Ten tweede is nostalgie vergeetachtig. Het is makkelijk te zeggen dat je vroeger overal met Nederlands terecht kon en dat je zo’n band met de buurvrouw had. Maar laten we niet vergeten dat de verzuiling Nederland maakte tot een soort Noord-Ierland zonder wapens; dat je als vrouw niets in te brengen had en geen beschikking had over eigen middelen of carrière; dat je met de ‘verkeerde’ seks de gevangenis in ging en mannen met lang haar of de verkeerde kleding in cafés geweigerd werden; en ook dat men alleen geen ‘allochtonenprobleem’ had omdat er eenvoudigweg zo weinig migranten waren, en het daarom moeilijker was om alle problemen aan hen toe te schrijven – maar dat is wel iets wat bijvoorbeeld vóór 1940 routineus de Joden overkwam, die nu als modelburgers gelden. Het is belachelijk te doen alsof Westerse samenlevingen een hyperseksueel karakter hebben, als je in alle 19e-eeuwse literatuur kunt lezen over hoeveel eerder meisjes zwanger werden, hoeveel meer en eerder jongeren seks hadden, en hoe eindeloos veel neurotischer en obsessiever er met seksualiteit omgegaan werd juist door de repressie van ieder seksueel idee of beeld uit de publieke ruimte. Als het werkelijk toen zoveel beter was op seksueel gebied, had Freud nooit iets te doen gehad. Ook doet een nostalgische houding over seksualiteit onrecht aan de werkelijke overwinningen die de feministische en LGBT-bewegingen geboekt hebben in de laatste paar decennia. Hoewel er nog veel te verbeteren valt, wordt verkrachting veel serieuzer genomen en binnen het huwelijk nu ook strafbaar, is de pil wijdverspreid, hebben vrouwen een recht op een eigen seksleven op hún voorwaarden verworven, is prostitutie eindeloos minder gangbaar dan het vroeger was, bestaan er nu beschermingen tegen invasies van de privacy en voor mensen met een andere geaardheid dan gebruikelijk, noem maar op.

Dit brengt mij dan ook tot het laatste punt: nostalgie is uiteindelijk politiek gevaarlijk. Juist de combinatie van selectief geheugen over het verleden en de veroordeling van de ‘chaos’ of ‘zwakte’ van nu is een denkwijze die eigenlijk alleen bij de rechtervleugel een thuis kan vinden, ongeacht vanuit welke hoek deze verwoord wordt. Het heeft evidente overeenkomsten met revanchistisch nationalisme, dat over de natie-staat als geheel een vergelijkbare selectiviteit van geheugen toont en op basis daarvan een kunstmatige onvrede mobiliseert. Gezien de enorme verbeteringen op veel sociale, politieke, en zelfs culturele gebieden vergeleken met de boven beschreven situaties is een tendens tot nostalgie, zelfs als deze zich uit in puur economische termen, bijzonder onwenselijk. Het is begrijpelijk dat politiek links in West-Europa zich probeert te redden uit te steeds verder voortschrijdende ondergang van de sociaal-democratie door te hunkeren naar de jaren dat centrum-links de hegemonie had en de ongelijkheid kleiner was, de groeicijfers nog positief; maar die jaren kunnen niet terugkomen en komen ook niet terug.

De sociaal-democratie brokkelt af niet doordat mensen niet inzien dat het in de jaren ’70 beter was, maar omdat het Westen überhaupt haar economische dominantie over de rest van de wereld zeer langzaam, maar zeker, aan het verliezen is. En gezien de geschiedenis van imperialisme, kolonialisme en slavernij die ten grondslag ligt aan deze dominantie, is dat helemaal niet iets om nostalgisch over te zijn. Voor de sociaal-democraten is dat lastig, want uit een kleinere buit valt minder te verdelen – maar deze nostalgie betekent niets voor de bevolking wiens grootouders in de jaren ’60 naar Nederland gemigreerd zijn. Het betekent ook niets voor de rest van de wereld, of doet hoogstens denken aan het stiekeme verlangen naar post-feodale chic die spreekt uit Downton Abbey, en met even weinig politieke waarde of realiteit.

Uiteindelijk gaat de tijd slechts één kant op, en er is geen hoeveelheid morele panieken over het verlies van normen en waarden (overigens een vast element in 19e-eeuwse conservatieve polemiek) die daar iets aan kan veranderen. Als progressief denkend Nederland niet geheel het onderspit wil delven aan de alliantie tussen nostalgisch denkend klein-rechts, met de Little Englander-mentaliteit van de Wilders-stemmers, en de politieke vertegenwoordigers van de financiële branches die de Westerse politiek in de houdgreep houden, dan moet iedere neiging tot een ‘linkse’ nostalgie zonder meer de kop in gedrukt worden. Traditioneel heeft links het altijd het best gedaan als het de partij van het optimisme is, van het geloof in de vooruitgang en de toekomst, als het mensen niet alleen een radicale kritiek van het bestaande biedt maar ook een hoop op iets beters. De overwinningen van Obama tonen dit aan, zij het dat het bij hem beperkt blijft tot alleen dit retorisch repertoire.

De Verlichtingsdenkers van de 18e eeuw geloofden dat de toekomst lag in de overwinning van de rede over de conservatieve krachten van religie en domheid; de socialisten van de 19e eeuw dat technologie een unieke mogelijkheid bood om de economische ontwikkeling in het belang van de grote meerderheid te stellen; en de communisten van de 20e eeuw dat de geschiedenis met hen was, en uiteindelijk oorlog en winstbejag zou overwinnen. Het is in deze geest dat alle grote vooruitgang heeft plaatsgevonden, want iedere keer dat een bevolking gesteld wordt voor de keuze tussen een hoopvol links en een nostalgisch rechts, wint de eerste. Maar nostalgie betekent uiteindelijk het opgeven van de strijd: de strijd om hoop te behouden, wat zich ook mag voordoen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek

Niemöller’s Genen

In reactie op het akelige incident waarbij een grensrechter is doodgeslagen door een paar jongeren na een voetbalwedstrijd ligt heel Nederland weer overhoop over een zogenaamd ‘Marokkanenprobleem’. Dat sociale en politieke problemen en hun oorzaken stelselmatig worden geanalyseerd in termen van groepsschuld is zo langzamerhand gangbaar geworden in Nederland, en valt bijna niemand meer op. Het heeft daarom vermoedelijk weinig zin om er nog eens op te wijzen dat groepsschuld niet bestaat, dat je iemand niet verantwoordelijk kunt houden voor de incidentele acties van iemand anders alleen omdat zij een bepaalde nationaliteit of afkomst gemeen hebben, en dat een ‘Marokkanenprobleem’ een volstrekte illusie is. Het is uitentreure bekend uit de criminologische statistiek dat Marokkaanse jongeren vaker dan men puur op basis van aantal zou verwachten in aanraking komen met de politie (wat dat ook moge betekenen), en een groter onderdeel vormen van de gevangenisbevolking dan proportioneel. Hetzelfde geldt voor Antilliaanse jongeren, wat dat betreft.

Overigens is dit grotendeels eenvoudigweg omdat deze zelfde groepen ook de meest achtergestelde, armste, en laagst opgeleide groepen zijn in Nederland. Zulke groepen zijn altijd en overal de relatief meest criminele van een gegeven land; dat is dus in het geheel niet specifiek een ‘Marokkanenprobleem’, gezien dat Marokkaanse immigranten in de VS bijvoorbeeld geen bijzondere probleemgroep zijn. Daarnaast is het nuttig er op te wijzen dat de voornaamste slachtoffers van de criminaliteit van arme bevolkingsgroepen andere arme mensen zijn, niet de ‘nette’ kleinburgerij in de buitenwijken die uit angstvalligheid Oom Geert erbij halen om de gemene jongens terug te sturen naar hun ‘eigen land’ waar ze alleen ooit op vakantie geweest zijn. Tenslotte nuttig er op te wijzen dat het meest recente onderzoek vaststelt dat “van de 166.599 Marokkaanse Nederlanders van 12 jaar en ouder worden 7.721 personen (4,6 procent) verdacht”; een oververtegenwoordiging, maar bepaald niet een enorm grote proportie van het bevolkingsdeel.(1)

Maar goed, dat alles is tot daar aan toe. Nog veel ernstiger wordt het beeld wanneer reactionaire types van klein-rechts zoals Joost Niemöller gaan lopen roepen dat er een genetische (c.q. raciale) oorsprong is in de vermeende massale criminaliteit van Marokkaanse Nederlanders. Dat bevolkingsgroepen als collectief worden aangesproken, dat daarmee het idee van burgerschap en de gelijkheid tussen de burgers wordt ondermijnd, dat er gemakshalve wordt genegeerd dat de demografisch sterkste oververtegenwoordiging in de misdaad de groep ‘mannen’ betreft (de overweldigende meerderheid van alle veroordeelde misdadigers) en toch niemand van een ‘mannenprobleem’ spreekt, dat hiermee alle incidenten worden verheven tot het niveau van een burgeroorlog in de geest, dat alles is nog te verwerken. Maar op het moment dat de Niemöllerianen er toe overgaan om ‘wetenschappelijk’ raciale theorieën te verspreiden, die in de gehele moderne geschiedenis de basis zijn geweest voor de grootste gruwelen van fascisme en imperialisme, slavernij en kolonialisme, en niemand dit vreemd lijkt te vinden, op dat moment is er in Nederland iets heel ernstigs gaande.

Het is daarom van het grootste belang nog eens kort uiteen te zetten hoezeer dergelijke theorieën op waanbeelden berusten. Ten eerste is het een totale illusie dat de moderne visie van de mensheid als verdeeld in rassen enige evolutionair-biologische basis heeft. Uit het onderzoek van Alan Templeton naar de genetische distributie onder 16 verschillende groepen in de gehele wereld blijkt dat de genetische verschillen tussen mensen voor 84.4% worden verklaard door individuele verschillen en slechts voor de overige 15.6% door groepsverschillen, dat wil zeggen, door verschillen voortkomend uit een bepaalde langdurige isolatie van een genetische subgroep van andere subgroepen binnen de soort. Dit is voor een zoogdier bijzonder laag.(2) Er zijn dan ook geen genetisch aanwijsbare ‘subsoorten’ van de mens te identificeren zoals dat met sommige dier- en plantensoorten zo is, en de genetische variatie die er bestaat uit zich ook in het geheel niet noodzakelijk in termen van de ‘rassen’ die nu doorgaans populair worden onderscheiden.

Daar komt nog bij dat het idee van de verdeling van de mensheid in rassen een identificeerbare geschiedenis heeft: het idee heeft zijn oorsprong in de 19e-eeuwse Europese behoefte om niet alleen de wereld wetenschappelijk te klassificeren, maar ook om dat op zodanige wijze te doen dat de inmiddels behaalde Europese voorsprong in productiviteit en technologie kon worden verklaard en verdedigd. Gedurende de gehele vroegmoderne en moderne geschiedenis heeft technologisch niveau en politieke organisatie gediend als maatstaf voor Europeanen om anderen te beoordelen, en de verdeling in hogere en lagere rassen met meer of minder potentieëel is slechts een recente ‘verharding’ van dit idee, dat in eerste instantie vooral in culturele en religieuze termen geuit werd.(3)

De huidige gangbare indeling in rassen is dan ook hoogst arbitrair en historisch: er bestaat de notie van een ‘zwart’ ras, al bestaat er vrijwel geen enkele specifieke genetische, culturele, of historische band die West-Afrikanen en Oost-Afrikanen meer bindt met elkaar dan met enige andere groep, en de categorie ‘Aziatisch’ betreft zoveel verschillende groepen dat het een evident Westers construct is. Ook kan men zich afvragen waarom we mensen indelen op deze basis, en niet bijvoorbeeld op de even erfelijke eigenschappen als haarkleur, oogkleur, lengte, en zo voorts. Bekend is ook dat in de oudheid er geen rassentheorie bestond, alleen noties over burgers versus barbaren, en in de Middeleeuwen was de indeling in termen van ‘het Christendom’ versus de heidenen; het hele idee van erfelijke incapaciteit is een product van de opkomst van Europa (en haar nederzettingen) als het hegemonische continent. Deze raciale theorieën zijn vaak systematiseringen van de vooroordelen jegens vreemde groepen, inclusief migranten, die in de oudheid al gangbaar waren, maar niet de essentialistische vorm aannamen die de rassenleer zo veel gevaarlijker nog maakt dan ‘gewone’ xenofobie al is.(4) Het is dan ook een weinig verrassende ontwikkeling dat de Niemöllerianen die herintroduceren in het Nederlands discours.

Er bestaan ook allerlei raciale theorieën over het IQ van verschillende ‘rassen’ en hun leervermogens, om de notie te ondersteunen dat bepaalde rassen eenvoudigweg intelligenter zijn dan andere en dus ‘dat het daar allemaal door komt’. Ik heb hierover eerder uitgebreid geschreven in het Engels, en zal dit niet allemaal herhalen. Kort samengevat komt het er op neer dat er ten eerste geen serieuze overeenkomst is tussen IQ-meting en intelligentie, al was het alleen maar vanwege het Flynn-effect, dat demonstreert dat IQ-scores vanzelf in de loop van de tijd toenemen en daarom voortdurend opnieuw geijkt moeten worden; ten tweede, dat in bloedtests tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ mensen de zwarte bevolking met meer Europese voorouders en dus meer Europese genen niet beter scoorden op IQ-tests dan de zwarte bevolking met minder ‘witte’ genen; verder dat IQ-tests veelal een culturele of intellectuele capaciteit meten die niets te maken heeft met intelligentie, maar alles met in hoeverre je cultureel deel uitmaakt van het wereldbeeld en vocabulaire van de ‘witte’ meerderheid, zoals bleek uit tests waarin witte mensen het beduidend beter deden in bestaande woordkennis, maar er geen verschil was in vermogen woorden te leren; en tenslotte dat de ‘priming’ (dat wil zeggen de deelnemers de relevante categorisering zelf laten invullen, bijvoorbeeld ras, nationaliteit, of gender) van dergelijke tests op basis van ras zelf al een negatief effect heeft op de ‘prestaties’ van historisch onderdrukte groepen, om psychologische redenen.

We kunnen hier eenvoudig een Nederlands onderzoek citeren:

“In this rejoinder, we respond to comments by Lynn, Rushton, and Templer on our previous paper in which we criticized the use of national IQs in studies of evolutionary theories of race differences in intelligence. We reiterate that because of the Flynn Effect and psychometric issues, national IQs cannot be taken to reflect populations’ levels of g as fixed since the last ice age. We argue that the socio-cultural achievements of peoples of Mesopotamia and Egypt in 3000 B.C. stand in stark contrast to the current low level of national IQ of peoples of Iraq and Egypt and that these ancient achievements appear to contradict evolutionary accounts of differences in national IQ. We argue that race differences in brain size, even if these were entirely of genetic origin, leave unexplained 91–95% of the black-white IQ gap. We highlight additional problems with hypotheses raised by Rushton and Templer. National IQs cannot be viewed solely in evolutionary terms but should be considered in light of global differences in socio-economic development, the causes of which are unknown.”

(5)

Kortom, de genetische theorieën van Niemöller zijn niets anders dan een wanhopige poging om vooroordelen en kleinburgerlijke angst voor het vreemde aan te kleden in wetenschappelijke terminologie. Dat zal niet lukken. Het is te hopen voor de familie van Niemöller en voor Nederlands klein-rechts dat racisme en xenofobie zelf ook niet erfelijk zijn, anders ziet het er voor mijn geboorteland in de toekomst niet goed uit. Vooralsnog, echter, blijft het zogenaamde ‘Marokkanenprobleem’ een kwestie van socio-economische factoren en socializering van bepaalde clusters individuen, niet een kwestie van rassen of de genen van hele bevolkingsdelen. En dat is maar goed ook, want ik durf niet veel goeds te voorspellen over de erfelijke intelligentie en aanleg voor misdaad van de Niemöllerianen als het anders zou zijn.

1) http://www.wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/doc/overlast_mn_jongeren/onderzoek/marokkaanse-nederlanders-2012.pdf
2) Alan Templeton, “The Genetic and Evolutionary Significance of Human Races”, in: Jefferson Fish (ed.), Race and Intelligence: Separating Science from Myth (Mahwah, NJ 2002), p. 36.
3) Zie bv. Michael Adas, Machines as the Measure of Men: Science, Technology, and Ideas of Western Dominance (Ithaca, NY 1990).
4) Zie bv. Benjamin Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity (Princeton, NJ 2006); Erich Gruen, Rethinking the Other in Antiquity (Princeton, NJ 2010).
5) http://wicherts.socsci.uva.nl/wichertsPAIDrejoinder.pdf

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Wetenschap

Over de FARC

De media-aandacht voor de Nederlandse FARC-strijdster Tanja Nijmeijer heeft de langdurige strijd van de FARC tegen de Colombiaanse regering voor het eerst in lange tijd weer onder de aandacht gebracht. Normaliter is Colombia, en Zuid-Amerika überhaupt, niet veel in het nieuws in Nederland, dus dit kan ten goede gebruikt worden. Toch bestaat het Nederlandse commentaar veel uit romantisering en evenzeer veel gemakkelijke condemnatie, en beide dienen vermeden te worden. De huidige onderhandelingen tussen de FARC en de Colombiaanse regering zouden een einde kunnen maken aan een van de meest langdurige guerrilla-campagnes in de naoorlogse geschiedenis, maar om te begrijpen waarom dit er toe doet, moeten we verder kijken dan de eenvoudige verhalen over ‘terrorisme’ en dergelijke.

Zoals veel Zuid-Amerikaanse landen is Colombia voor het grootste deel van haar bestaan geregeerd door een nauwe oligarchie, gesteund door grootgrondbezitters in het zeer ongelijk verdeelde platteland en door de veelal buitenlandse (of ‘comprador’) kapitaalbelangen in de grote steden. De Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia – Ejercito del Pueblo (FARC-EP) ontstonden, zoals de naam al doet vermoeden, als een militante communistische beweging die de strijd aanging met de oligarchie in Bogotá. Na een langdurige burgeroorlog (bekend als ‘La Violencia’) had de regering een nieuw agrarisch beleid ingevoerd, hiertoe geadviseerd door Amerikaanse economen. Het beleid bestond uit het stimuleren van het grootgrondbezit en van de grootschalige industriële landbouw in de naam van schaalvoordelen, en beroofde grote hoeveelheden kleine boeren en landarbeiders van hun middelen van bestaan. In reactie hierop besloot de Colombiaanse Communistische Partij een agrarisch verzet te beginnen, gezien het grote economische belang van landbouw in Colombia. In eerste instantie beperkte zich dit tot het organiseren van boeren, maar een groep Communistische militanten richtten een guerrilla-strijdgroep op die kleinschalig gewapend verzet bood tegen de regeringstroepen, doodseskaders, en de paramilitairen in dienst van de grootgrondbezitters. Dit vormde het fundament van de FARC-beweging.

Guerrillastrijd heeft vanuit politiek oogpunt een gecompliceerd karakter. Hoewel het bijzonder effectief kan zijn tegen opponenten die militair en technologisch sterker zijn, vereist het, zoals Mao beschreef in zijn fameuze werken over de guerrillastrijd in China, dat de militanten zich “onder het volk kunnen begeven als een vis in het water”. Ongeacht of het een plattelandsguerrilla is of een stedelijke (zoals in Gaza en Libanon), het is onmiskenbaar noodzakelijk voor het overleven van de strijders dat zij de voortdurende passieve en actieve steun van de lokale bevolking hebben. Die lokale bevolking moet niet alleen bereid zijn hen van voedsel en hulp te voorzien, maar ook hen niet te verraden aan de regeringstroepen, een bron te vormen voor nieuwe strijders, en zich identificeren met de strijd zodat zij niet gemakkelijk om te kopen of te intimideren zijn. Dit betekent vervolgens weer dat de beweging zelf zowel in woord als daad een politiek programma moet hebben dat in overeenstemming is met de belangen van de grote meerderheid van de lokale bevolking.

Echter, hier zit hem de clou: hoe langer de guerrillastrijd doorgaat, hoe moeilijker het is dit te verwezenlijken. Omdat de strijders mobiel zijn, zich over hele gebieden van het land moeten kunnen begeven, en leven van de lokale bevolking, riskeren zij voortdurend geïsoleerd te raken van die bevolking en wat er bij hen speelt. Alleen als de strijders gebieden geruime tijd in handen kunnen houden, lang genoeg om bijvoorbeeld de noodzakelijke landhervormingen ten koste van de grootgrondbezitters door te voeren, kunnen zij de belangen van de lokale bevolking verwezenlijken en daardoor een positieve rol spelen. Als zij echter te zwak zijn om dit te doen, of (wat op hetzelfde neerkomt) de lokale bevolking niet voldoende weten te organiseren in het belang van de revolutie, dan zullen zij op den duur niet alleen het contact met de bevolking verliezen, maar ook hun raison d’être. Vaak ontstaat er dan een proces van degeneratie – om actief te kunnen blijven, moet de beweging de bronnen van inkomsten elders zoeken dan uit de organische steun van de arme massa, en zo wordt drugshandel, ontvoeringen voor losgeld, chantage en bankroof veelal aan de orde van de dag. Hoewel dit in eerste instantie vaak slechts bedoeld is om de werkelijke politieke doelen van de beweging praktisch te dienen, dwingt de logica van georganiseerde criminaliteit de organisatie veelal tot een verwording. Zo eindigen zij vaak als eenvoudige gangsters met een wat opgeblazen retoriek.

De FARC heeft in geruime mate dit proces van degeneratie ondergaan, en daardoor is het al lange tijd niet in staat de troepenaantallen aan te vullen of noemenswaardig de oligarchische regering van Colombia het op enige wijze echt moeilijk te maken. Dit heeft niets te maken, wat de Nederlandse media ook mag zeggen, met ‘terrorisme’ of de morele aspecten daarvan. Zoals de Maoisten in China en de Naxalbandi in India hebben aangetoond, en in het laatste geval nog steeds aantonen, is het uitstekend mogelijk een langdurige politieke en militaire strijd te voeren zonder dat een dergelijk proces van degeneratie optreedt, en zonder dat dit ook maar enigszins kan worden gereduceerd tot een vaag geleuter over ‘terrorisme’. Het ‘terrorisme’ zoals van de Rote Armee Fraktion en dergelijke groepen is niet de oorzaak, maar juist het gevolg van hun gebrek aan brede volkssteun in de gebieden waarin zij opereerden. Hoewel in het geval van de RAF of de Weathermen hun doelwitten politiek gekozen waren en zij niet dit proces van degeneratie ondergingen, is dit alleen omdat zij daarvoor te kort bestonden. Maar een strategie van dien aard heeft geen zin als de analyse van de politiek-economische omstandigheden in een land of regio niet een guerrillastrijd rechtvaardigt, en waar dat in Colombia wel zo was, was dat in Duitsland niet zo. Zo moeten deze bewegingen strategisch en kritisch beoordeeld worden, niet naar de hypocriete maatstaven van de ‘oorlog tegen terreur’.

Nog altijd is Colombia een vazalstaat van de Verenigde Staten, een land waar de eigenaars van haciendas er privé-doodseskaders op na houden, het land met het hoogste aantal vermoorde vakbondsleiders ter wereld, en een centrum van drugshandel en corruptie. De ongelijkheid is enorm, en er is geen onderscheid tussen bankiers, politici, en drugsbaronnen. De ‘oorlog tegen drugs’ heeft het land immense schade toegebracht. Ook is het legale politieke domein grotendeels afgesloten voor enige vorm van progressieve actie: de FARC en andere socialistische organisaties hebben meerdere malen geprobeerd een officiële partij te vormen, maar elke keer werden zoveel leden en activisten ervan vermoord, dat het niet te doen was. Er kan dus geen sprake zijn van een puur parlementaire strategie, als zoiets al zin zou hebben, en de FARC weergeven als oorzaak van de ellende van Colombia is dan ook hypocriet en ridicuul.

Maar tegelijkertijd heeft het ook geen zin om romantisch te doen over de FARC als beweging. De afhankelijkheid van drugshandel en ontvoeringen toont dat de FARC haar historisch bestaansrecht overleefd heeft, en het is allerminst duidelijk dat de nog steeds grotendeels agrarische bevolking van Colombia er veel bij gebaat is. In die zin heeft Tanja Nijmeijer verkeerd gekozen: wellicht was zij beter af geweest haar steun te verlenen aan bijvoorbeeld de Indische rebellen, of die van Irian Jaya, om maar een paar voorbeelden te noemen. We hoeven om het onvermijdelijke verdwijnen van de FARC nu weinig tranen meer te laten. Maar laten we ook de oorspronkelijke rechtvaardiging voor hun bestaan niet vergeten, en ons niet laten verleiden tot hypocriete, koloniale flauwekul over ‘terrorisme’ in het algemeen. En laten we de gelegenheid gebruiken om de Nederlandse verhoudingen met de Zuid-Amerikaanse oligarchieën en hun beschermers in de VS en EU eens kritisch onder de loep te nemen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek

Sluitingstijden

Hoewel misschien eigenwijs en koppig van aard, ben ik niet van nature een liefhebber van in de contramine gaan, tenminste niet slechts omwille van een suggestie van oorspronkelijkheid. Mijn theoretische belangstellingen liggen vermoedelijk ver buiten (ik wil niet zeggen boven of onder) het gemiddelde in Nederlandse politieke en sociale discussie, maar in het meerendeel van de concrete kwesties die zich voordoen in de dagelijkse politiek schaar ik mij graag bij de consensus van ‘links’. Het is maar vrij zelden dat ik het echt oneens ben met de standpunten van de SP en dergelijke, zolang we binnen het beperkte kader van die dagelijkse politiek blijven. Toch moet ik in het geval van de discussie over het verruimen van de sluitingstijden een uitzondering maken. De SP, en het grootste gedeelte van Nederlands links is hier tegen, en juist de liberalen (zoals men zou verwachten) zijn voorstanders. Niettemin lijkt mij ook de sluitingstijdenwet zoals deze heeft bestaan waarschijnlijk onhoudbaar, en ik zou het ook niet willen behouden. Alleen, mijn redenen zijn enigszins anders dan die van de liberalen, natuurlijk.

In de gehele discussie over de sluitingstijden wordt het al snel duidelijk dat wat links er op tegen heeft, en wat de liberalen er op voor hebben, hetzelfde is: het onmiskenbare feit dat een uitbreiding van de toegestane openingsuren op zondag meer concurrentie betekent over een langere tijd van de week, en dus het moeilijker maakt voor kleinere firma’s om het op te nemen tegen grotere firma’s. Er is geen reden te betwijfelen dat dit een reëel effect is. Voor de confessionele conservatieven speelt natuurlijk ook een rol dat het een (verdere) schending betekent van de goddelijke zondagsrust, al schijnt men inmiddels er weinig op tegen te hebben dat medeburgers wier heilige dag op zaterdag of vrijdag valt die rust op die dagen genieten in plaats van de zondag. Dit argument wordt terecht als weinig overtuigend ervaren, gezien hoe gering de rol is die het speelt in de discussie buiten CDA en ChristenUnie-achtige kringen. Sowieso kan er in een steeds meer seculier land geen sprake zijn van een afdwingen van een verplichte religieuze rustdag op last van de overheid. Maar het centrale punt, de concurrentie, is een interessante.

Wat mij in deze discussie enorm heeft verbaasd is hoe snel links zich heeft geïdentificeerd met de belangen van de kleine winkeliers en zogenaamde ‘zelfstandigen’ en hun beweringen dat de verruiming een vorm van ‘oneerlijke concurrentie’ zou inhouden. Misschien komt dit voort uit een lovenswaardige behoefte de underdog te steunen, maar met links heeft het weinig te maken. Allereerst is het onzin te spreken van oneerlijke concurrentie. Er is niets oneerlijks aan: het is precies dezelfde concurrentie die ze alle overige zes dagen van de week al ervaren. Als die concurrentie wordt aanvaard als eerlijk, is het volstrekt arbitrair ineens te zeggen dat dat de zevende dag van de week niet mag. Dit zou het equivalent zijn van een stelling, dat het eerlijke concurrentie is voor een grote ‘buurtsuper’ met een oppervlak van 300 m² te concurreren met een kruidenier, maar het is ineens oneerlijke concurrentie als die buurtsuper er nog eens 50 m² bij krijgt! Dat slaat geheel nergens op.

Het is onmiskenbaar waar dat de kleine winkeliers en midden- en kleinbedrijf er behoorlijke extra loonkosten bij zouden krijgen, als zij ook op de zondag dezelfde concurrentie aan zouden moeten gaan als ze al op maandag tot zaterdag doen. Maar nou en? Wat zou dat? Het lijkt mij een teken van de steeds verdergaande theoretische onderontwikkeling van linkse politiek en het steeds verder uitbreidende populistische ad hoc-gedrag van de partijen dat hier helemaal niet over nagedacht is. Het is begrijpelijk dat heel specifieke soorten winkels bijvoorbeeld wenselijk worden geacht voor het algemeen welzijn, zoals de vaste boekenprijs het mogelijk maakt voor boekwinkels om te bestaan en op deze manier een culturele functie te vervullen, die eventueel nog te rechtvaardigen is. Maar daarin wordt niet ineens beslist dat kleine boekwinkels geen concurrentie hoeven te ondergaan van grote, en dat kan ook niet.

Het is een illusie te denken dat kleine firma’s en winkels inherent beter, wenselijker, of minder exploitatief zouden zijn dan grote. In werkelijkheid is het omgekeerde juist vaak het geval: niet alleen bieden grotere winkels doorgaans lagere prijzen voor een massapubliek, wat soms positief is en soms niet (zoals Walmart aantoont), maar de lonen zijn er doorgaans hoger en zij nemen meer allochtonen en vrouwen aan, het is moeilijker vakbonden te vormen in kleinere firma’s en representatie van werknemers mogelijk te maken, en bieden meer baanzekerheid. De invloed op de totale werkgelegenheid van grote firma’s is aanzienlijk significanter dan die van kleine, dus voor de strategische korte termijn van links (waarin traditioneel werkgelegenheid een grote rol speelt) is het bevoordelen van kleinbedrijf een dubieuze denkwijze. Ook elders gaat dit op: de meerderheid van de sweatshops in de Derde Wereld zouden gelden als ‘midden- en kleinbedrijf’, bijvoorbeeld.

Er wordt wel gezegd dat deze redenering niet opgaat voor zogenaamde ‘zelfstandigen’, en dat deze bijzondere bescherming verdienen juist omdat zij niet volgens de politieke economie van links exploitatief zouden zijn, in tegenstelling tot firma’s met werknemers. Nog los van de vraag, hoe zelfstandig een zelfstandige eigenlijk is die special pleading in de wet nodig heeft om boven water te blijven, berust dit op twee illusies. Ten eerste is de zelfstandige evengoed ‘exploitatief’ – in ieder geval in de technische, misschien niet in de morele zin – alleen hij of zij exploiteert zichzelf, zijn of haar eigen tijd. Dit gaat net zoals in de kleine, maar marktgeoriënteerde boerenstand, waar traditioneel de reactie op nieuwe concurrentie altijd een nog verder beroep op de arbeidstijd van de boerenfamilie zelf is, tot ze er bij neervallen. Dat lijkt me vanuit een breder progressief oogpunt niet een situatie die we als status quo willen bevriezen. Ten tweede is het evident dat de maatschappij niet uitsluitend kan bestaan uit talloze zelfstandigen zonder personeel die hun diensten uitruilen. In de klassieke discussie in de 19e eeuw wees Marx zijn tegenstander Proudhon hier al op: niet alleen heeft zo’n situtatie historisch nooit bestaan, maar deze zou ook niet stabiel zijn, en vanzelf leiden tot schaalvergrotingen, uitstoting van de verliezers van de concurrentie, en zo voorts, totdat de huidige situatie zich weer voordoet.

Toen ik enige jaren geleden nog als bewoner van Utrecht in een referendum mocht stemmen over de verruiming van de openingstijden, stemde ik dan ook vóór, maar mijn ouders stemden beide tegen. Toen ik hen hierover vroeg, verklaarden zij dat ze graag op zondag gaan wandelen in de stad en het dan zo fijn rustig is, en als de winkels open zouden zijn zou het misschien overspoeld worden door ‘provincialen’ die komen winkelen. Nu ben ik bijzonder dol op mijn ouders – en trouwens ook op wandelen – maar het moge duidelijk zijn dat dit niet een sentiment is, hoe begrijpelijk ook, dat welk collectief bestuur dan ook serieus zou moeten kunnen nemen. Wat ik dus met dit alles zeggen wil is dat de steun van links voor de sluitingstijdenwet als politiek behoort tot de romantische reactie, tot de nostalgie, een poging om een geïdealiseerde oude situatie kunstmatig in stand te houden zonder de dynamiek en de kenmerken ervan serieus onder de loep te nemen. Dit is al een heel oud gevaar voor links. Het is al te makkelijk om te denken dat omdat de dingen nu slecht zijn, ze dus vroeger wel beter moeten zijn geweest, of dat verdere verandering alleen nog verdere verslechtering kan betekenen. Deze reactionaire impuls moet bestreden worden, en het feit dat de linkse partijen hierin juist medestanders vinden in de meest conservatieve sferen van Nederland zou te denken moeten geven. Er bestaat teveel romantiek over kleinbedrijf, het is tijd dit te veranderen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie

Provocaties

Er is de laatste jaren veel te doen om de vrijheid van meningsuiting in Europa. De vele anti-immigratie en anti-Islamitische groeperingen spinnen garen bij de vele incidenten, groot en klein, die zich in de recente tijd hebben voorgedaan die het recht op vrije expressie, altijd in zulke clichématige termen omschreven als ‘felbevochten’ en dergelijke, in het nauw lijken te brengen. Er zijn natuurlijk de echt grote gevallen, zoals de Rushdie-affaire (alweer vele jaren geleden), waarbij de schrijver na het parodiëren van de oorsprongen van de Islam in zijn boek The Satanic Verses onder permanente bewaking moest leven en verschillende van zijn vertalers (bijna) vermoord werden, en in Nederland natuurlijk de moord op de aartsprovocateur Theo van Gogh. Dit zijn serieuze gevallen, die het recht van burgers om kritiek en satire te beoefenen, en wel in het bijzonder jegens religie, impliciet bedreigen en daarmee hele onderwerpen van vrije discussie afsnijden.

De vrees voor fanatici en gekken kan een mondsnoerend effect hebben, dat is zeker waar. Toch is dit eigenlijk niet de meest serieuze vorm van censuur jegens provocaties op de langere duur. Dat bepaalde individuen, al dan niet labiel, van een gegeven gelegenheid gebruik maken om prominente satiristen en critici te bedreigen of aan te vallen is buitengewoon onwenselijk, maar nooit volledig te verhinderen. Het blote feit dat een enkele idioot met een auto op de colonne van de koningin in kan rijden geeft al aan dat iedere poging tot een volledige beveiliging vergeefs is, en zoals de eindeloze ellende op de vliegvelden iedere reiziger al doet aanvoelen, brengt een poging daartoe aanzienlijke praktische kosten met zich mee, zowel financiëel als politiek.

Het is onbegrijpelijk dat er onder progressief denkende mensen niet serieuzer en verontwaardigder gereageerd wordt als Deense ambassades worden aangevallen omwille van een satire op een religie, of het kantoor van een bekend Frans satirisch blad wordt opgeblazen om dezelfde reden – als er nu één fundamenteel strijdpunt was van de Verlichting, was het toch zeker het recht om met religie de spot te drijven. “De kritiek op religie is het begin van alle kritiek”, schreef Marx al, en zo is het. Maar hoezeer dit ook in het straatje van de kruisvaarders der laatste dagen te pas komt, dit is niet de belangrijkste of gevaarlijkste vorm van censuur en inperking van provocaties.

Spot en provocatie zijn altijd gevreesd omdat zij de meest effectieve wapens zijn vóórdat men naar de echte wapens grijpt. Het werkelijke gevaar rust dan ook niet op de lange duur in de bedreigingen van kleine groepen fanatici, hoe ernstig ook, jegens medeburgers die hun geliefde onderwerpen en totems belachelijk maken. De werkelijk gevaarlijke censuur komt altijd van de instanties met politieke macht, van regeringen en – veelal in het verleden, maar in het geval van Khomeini c.s. recent nog – de van aardse macht voorziene clerus. En in het tijdperk van de ‘oorlog tegen de terreur’ is de reactie van vele Westerse regeringen om juist op dit terrein steeds verder het domein van geoorloofde provocaties terug te dringen. Inderdaad mag in Nederland Geenstijl nu van alles schrijven wat in de jaren ’80 de Centrumpartij nog op boetes zou zijn komen te staan. Maar dat geeft slechts aan dat ondanks hun pretenties tot rebellie, zij niet werkelijk een bron van illegitieme of onopgemerkte macht raken. Een satirist die juist onder het politiek establishment de lachers op de hand heeft is geen criticus, maar een hofnar.

Veel ernstiger is de tendens in de laatste jaren om, nu de aandacht voor en de strijd om de meningsuiting elders lijken te zijn, de traditionele vormen van kritiek en provocatie de mond te snoeren. Vandaag werd in het Verenigd Koninkrijk een zekere Trenton Oldfield tot zes maanden gevangenisstraf veroordeeld, omdat hij vorig jaar de jaarlijkse roeiwedstrijd tussen Oxford en Cambridge had verstoord door tussen de roeiers te zwemmen. Dit was bedoeld, zo bleek, als een protest tegen het elitaire karakter van deze universiteiten (waarvan nog altijd een enorm disproportioneel deel van de studenten van de elitescholen afkomstig zijn) en de banden tussen deze academische elite en de politiek, gezien hoeveel van de Britse regeringsleden die opleidingen genoten hebben. De roeiwedstrijd werd enkel even onderbroken om hem uit het water te vissen en werd vervolgens rustig voortgezet, maar hij mag nu wel een forse tijd de bak in.

Evenzeer werd enkele weken geleden een jongeman die, niet geheel smaakvol, op Twitter een slechte grap had gemaakt ten koste van een in Wales vermoord meisje tot enkele weken cel veroordeeld. Een grap op Twitter! In Nederland werden enkele demonstranten die terecht hadden willen wijzen op het koloniale en racistische karakter van de jaarlijkse Zwarte Pietparades – iets wat ik persoonlijk überhaupt al nooit heb kunnen uitleggen aan mijn in dit soort zaken veel scherpere Amerikaanse vrienden – genadeloos door de politie in elkaar geslagen en naar de cel afgevoerd, tot het enthousiasme van het (witte) publiek. Men mag van alles schreeuwen over buitenlanders en de Islam, maar de confrontatie aangaan met de zaken die de nette witte burgers zelf mooi en waardevol vinden, dan houdt het ineens op. In dat licht bezien wordt de internationale verontwaardiging over de celstraf voor de Russische linkse(!) provocatieband Pussy Riot ineens wel tamelijk hypocriet.

Dit is niet te zeggen dat het één beter is dan het ander. Mensen die de positieve aspecten van de Verlichting en het erfgoed van het 19e- en 20e-eeuwse progressieve denken aan het hart gaat, ideeën die tenslotte de weinige vrijheden en gelijkheden die wij tot stand hebben gebracht mogelijk hebben gemaakt, zouden beide moeten afwijzen. Het is volledig onacceptabel voor ‘links’, om het maar zo te stellen, om schoorvoetend te mompelen over ‘dat ze het toch wel erg bont hebben gemaakt en misschien wel hadden verdiend’ als religieuze fanatici zelfs de meest eenvoudige satires onmogelijk maken. Maar noch moslims noch buitenlanders zijn groepen met veel macht of aanzien in onze maatschappij, en de apologetische reflex is dan ook te begrijpen, hoe misleid ook, als een erkenning van dat feit.

Des te geduchter moeten we daarom zijn voor die gevallen waarin machthebbers onmiddelijk repressief reageren op die zaken, die ‘de gewone burger’ of zelfs de politiek zelf betreffen. Laten we dan ook zulke gevallen als het Sinterklaasprotest evengoed serieus nemen als gevallen van bedreiging en censuur als de aanval op Charlie Hebdo. Daar komt dan nog bij dat Nederland een leidende rol speelt in internetcensuur, van vage wetgeving gerechtvaardigd door morele paniek over ‘kinderporno’ tot het slaafs volgen van de grote mediafirma’s in het uitsluiten van iedere mogelijkheid tot fair use. Of de censuur als het gaat om ook maar de meest luchtige provocatie jegens het koningshuis, zoals nog niet te lang geleden wederom bleek. Ook hier lijkt de grens te liggen bij wat geldt als provocatief voor de kleinburger, en niet wat geldt als provocatief voor kleine groepen Islamitische fanatici, hoe luid deze ook mogen zijn. Het is tijd om ons te verzetten tegen de steeds verdere terugdringing van de mogelijkheden tot satire en provocatie, en de retoriek over vrijheid van meningsuiting niet slechts te beperken tot het soort kenmerkend voor klein-rechts. De werkelijk waardevolle provocatie is die van macht en gevestige meningen – niet het natrappen van bevolkingsgroepen die toch al eindeloos geminacht worden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Religie