Tagarchief: Islam

De Wilderssticker

Het is duidelijk dat Geert Wilders met zijn recente stickerstunt probeert aandacht op zijn partij te vestigen. Men zou dus kunnen zeggen: laat hem rustig stickers plakken, zoals het iemand met de politieke serieusheid van een basisscholier betaamt, en negeer het verder. Maar de retoriek van Wilders roept altijd sterke reacties op van uiteenlopende soort, ook onder zijn tegenstanders, en het is de moeite waard tenminste daar enige aandacht aan te besteden. Al was het maar omdat voor allerlei progressieve opponenten van de PVV er meteen weer sprake is van een verbod. Nauwelijks is het verbod op godslastering afgeschaft, of er wordt geroepen dat een dergelijke belediging van de Islam niet kan, en zo voort.

Ik denk niet dat het veel zin heeft om een dergelijke politiek na te streven. De traditionele liberale argumenten voor de vrijheid van meningsuiting, zoals bijvoorbeeld die door John Stuart Mill uiteengezet in On Liberty, zijn hier juist bij uitstek van toepassing. Vrijheid is juist de vrijheid van minderheden, of van het zeggen van dingen die anderen niet willen horen; het is niet wenselijk dat de overheid gaat bepalen waar de grens tussen toegestane en niet toegestane meningen ligt; en men kan zich altijd toevallig aan de verkeerde kant van de streep vinden in een gegeven debat. Een verbod op te radicale meningen of uitingen betekent in feite een politiek monopolie van de meningen en partijen van het politieke centrum, hetgeen noch democratisch noch inhoudelijk gerechtvaardigd is.

In Nederland wordt dan vaak gezegd dat ‘de onafhankelijke rechter’ maar moet bepalen of een bepaalde uitspraak geoorloofd is of niet, maar ook dat is niet wenselijk – dat verschuift dezelfde censuurmacht naar de rechterlijke macht, maar lost het probleem niet op. Daarbij is ook strategisch duidelijk dat het niet de beste manier is om de hatelijke retoriek van Wilders te bestrijden. Het proces tegen Wilders deed hem en zijn partij alleen maar goed, zowel in termen van electoraal gewin als van media-aandacht. Ik ben er van overtuigd dat als Wilders veroordeeld was, dit hem en zijn aanhang alleen nog maar verder gesterkt zou hebben.

Er zijn allerlei dingen die mensen zeggen en doen die onwenselijk zijn, maar die niet met politie-ingrijpen beantwoord moeten worden. Hoewel Nederlanders graag op de Amerikanen neerkijken, is – tenminste sinds de jurisprudentie van de jaren ’60 – de vrijheid van meningsuiting daar veiliger dan hier. (Dat geldt natuurlijk niet voor klokkenluiders zoals Snowden en Manning, noch voor hoe effectief meningsuiting kan zijn in een dergelijk sociaal-economisch ongelijk land, maar dat zijn zaken die daar analytisch van losstaan.) De vrees dat vrije meningsuiting tot pogromgedrag zou leiden is niet werkelijkheid geworden. Hoewel de VS een veel gewelddadiger land is dan Nederland, is er geen duidelijke connectie tussen de jurisprudentie voor vrije expressie (in de zin van overheidsneutraliteit jegens de inhoud van uitspraken) en lynchgedrag; het laatste is duidelijk sindsdien afgenomen. In deze context is het nuttig op te merken dat de eerste verboden op het beledigen van minderheden in Nederland in de jaren ’30 werden ingevoerd om het NSB-fascisme tegen te gaan, iets wat verder zonder merkbaar effect bleef. De blasfemiewet diende juist om links de mond te snoeren.

De burgerrechtenbeweging en de vrijheid van meningsuiting gingen hierin juist hand in hand: zeker in landen die neigen tot een aggressief rechtse tendens, zoals de VS en in toenemende mate Nederland nu, is het juist de progressieve vleugel die een goed beschermde vrijheid van meningsuiting nodig heeft. Dat betekent dus ook de vrijheid bv. tegen Wilders of GeenStijl in te gaan zonder bedreigd of geïntimideerd te worden, ‘journalistiek’ of anderszins.

Dit alles wil echter niet zeggen dat er niet duidelijk sprake is van een campagne van haat en intimidatie jegens immigranten en moslims in Nederland, en dat Wilders met zijn plakwerk daar niet aan bijdraagt. Hierbij creëert Wilders op listige wijze een probleem voor progressief maar atheïstisch gezind Nederland, omdat hij zijn pijlen direct richt op de Islam, niet op moslims als zodanig. Dit onderscheid is zeker voor moslims zelf niet zo makkelijk te maken, en Wilders is bovendien zelf nooit, maar dan ook nooit, consistent is in zijn verhaal – of hij nu tegen de islam is, tegen moslims, tegen immigratie, tegen criminaliteit, of dat het hem om cultuur gaat. Maar bij velen op links, inclusief mijzelf, is het moeilijk om de Islam als zodanig te verdedigen.

Er leeft een breed gedeeld gevoel onder Nederlanders dat de strijd tegen religieuze dominantie, politiek en privaat, een belangrijk onderdeel was van de emancipatiebewegingen sinds de oorlog, en zeker politiek links heeft traditioneel daarom met goede reden een achterdocht jegens het verdedigen van religies. Men hoeft niet zover terug te gaan om de werkelijke censurerende effecten van blasfemiewetten in Nederland te vinden. Het is echter des te meer belangrijk om een gediscrimineerde en zwartgemaakte minderheid zoals moslims in Nederland te verdedigen. Het is dan ook belangrijk er op te wijzen dat Wilders met zijn manipulatieve retoriek zelf dat onderscheid niet duidelijk kan maken – dan hoeven wij dat ook niet te doen.

Hoe moeten we dan reageren? Eigenlijk is het heel eenvoudig. We hoeven de Islam niet te verdedigen, behalve desnoods door er op te wijzen dat ‘de Islam’ buiten de theologie niet bestaat en dus ook niet onderwerp van politiek kan zijn, en dat bovendien Wilders en de zijnen er historisch en theologisch de grootst mogelijke onzin over verkondigen. Maar belangrijk is dat we de rechten – ik spreek eigenlijk liever van vrijheden – van de burgers van Nederland verdedigen. Daaronder vallen de gelijke rechten op vrijheid van meningsuiting, dus van Wilders maar ook van zijn opponenten; de vrijheid om je te kleden zoals je dat zelf wilt, van (vrijwel) naakt tot burqa, naar je zelf zin hebt; de vrijheid wel of niet een religie te belijden; de vrijheid om van de staat geen inhoudelijke oordelen over religie te hoeven verdragen, zodat de staat religie niet steunt en ook niet ‘Judeo-Christelijk’ of wat dan ook is; en de vrijheid om van het ene land naar het andere te reizen en te migreren, naar je zelf nodig vindt bij het nastreven van je eigen dromen en geluk. Dit zijn de verworvenheden en beloften van de Franse Revolutie: een bolwerk van vrijheden voor alle burgers.

Een brede coalitie ter verdediging van deze vrijheden zou tussen liberaal, centrum en links Nederland mogelijk moeten zijn, zodat nog geen tien Wildersen er een bres in kunnen slaan. Zolang het in Nederland over tegenstellingen tussen allochtoon en autochtoon, moslim en atheïst, crimineel en nette burger gaat, is het mogelijk voor Wilders en andere demagogen om de verlichtingsmeerderheid tegen elkaar uit te spelen. De tijd vereist een actieve campagne van deze meerderheid om juist de gelijke vrijheden van alle burgers voorop te stellen, tegen de immigrantenhaat en het moslimjagen in. Dit geeft bovendien een positieve visie en verschuift daarmee de voortdurende defensieve houding van (centrum-)links Nederland naar die van een actief tegenoffensief.

Dit vereist natuurlijk niet dat zaken zoals de economie genegeerd moeten worden – zoals de werkloosheid onder ‘allochtone’ jongeren – maar enkel dat hier een enorme hoop terrein te winnen is dat rechts Nederland hun vocabulaire ontneemt (hoezo Partij van de Vrijheid, als je de Koran wilt verbieden?) en in het defensief dwingt. Dan kan Wilders plaatjes plakken zoveel als hij zin heeft – het kan niets uitrichten. Alleen zo kan op de korte termijn het tij van intimidatie en zondebokkerij gekeerd worden.

2 reacties

Opgeslagen onder Politiek, Religie

Boekrecensie: Hassnae Bouazza, “Arabieren Kijken”

Als de gelegenheid zich voordoet, bezoek ik graag een volkenkundig museum. Hoewel het concept – een min of meer arbitraire verzameling van religieuze, militaire, en alledaagse voorwerpen uit niet-Westerse civilisaties – de oorsprong van de anthropologie in het Europees kolonialisme verraadt, geeft het voor de kosmopolitische bezoeker niettemin een interessant en stimulerend overzicht van de diversiteit en rijkdom van de culturen van alle delen van de wereld en alle tijdperken. Om voorbij de koloniale denkwijze te komen valt echter nog niet mee. Zelfs nu nog wordt men in West-Europa, vaak onbedoeld, opgevoed met een oriëntalistisch en exotiserend wereldbeeld, waarin ‘vreemde’ volkeren en culturen vooral dienst doen als de ultieme tegenhanger van het Europese: wat men in de postkoloniale theorie ‘de Ander’ noemt, met een hoofdletter. De Ander is altijd het omgekeerde van hoe de Europeaan zich ziet: vrouwelijk waar de Europeaan mannelijk is, religieus waar hij rationeel is, traditioneel waar hij wetenschappelijk is, collectief waar hij individueel is, en onderdrukkend waar hij vrij is. Expliciet racisme en het indelen van volkeren in hogere en lagere groepen is niet langer zo salonfähig als het in de Victoriaanse tijd was, maar het koloniale wereldbeeld over de Ander is onderhuids nog overal aanwezig, zelfs onder een hoogopgeleid publiek.

Het is om die reden dat ik juist graag dergelijke musea bezoek. Zij vormen een uitstekende uitdaging, een mogelijkheid tot het uitvoeren van een noodzakelijke mentale correctie. Een goede dekoloniserende oefening in deze, heb ik gemerkt, is het bezoeken van de afdelingen Noord-Amerikaanse, Afrikaanse en Polynesische culturen (zelf al een vreemde categorie): want de standbeelden, sieraden, wapens en kleding van deze werelddelen in de 19e eeuw en langer geleden zijn zo Anders dan Europa als het maar kan. De clou zit hem er in om vervolgens bij elk voorwerp – steevast voorzien van een etiket met de inhoudsloze omschrijving ‘ritueel’ of ‘traditioneel’ – te proberen te bedenken, wat ‘wij’ als sociaal en cultureel equivalent hebben. Dit is vaak na enige reflectie heel goed mogelijk.

Neem bijvoorbeeld de totempaal: een vast symbool in de populaire cultuur van de bizarre, obsessief religieuze cultus van Noord-Amerikaanse Indianen. Maar in werkelijkheid is het goed te begrijpen: de dieren op de totempaal staan voor symbolische dieren waarmee een clan zich via haar voorouders identificeert, en de combinatie van dieren is uniek voor iedere clan en voorziet die clan symbolisch van de betreffende eigenschappen die aan de dieren worden toegeschreven. Is dit exotisch en onbegrijpelijk? In het geheel niet, want het is daarmee het culturele equivalent van het middeleeuws Europese wapenschild: een erfelijk clan-symbool met dieren en figuren die de wenselijke karakteristieken van de familie dienen uit te beelden. (Daar komt nog bij dat de totempaal alleen onder de Kwakiutl en andere volkeren van het noordwesten voorkomt, maar dat terzijde.) De bizarre maskers, vaak aantrekkelijk en afstotelijk tegelijk, gebruikt in sommige delen van Afrika voor initiatierituelen lijken zo exotisch als het maar kan. Maar zoek naar onze eigen gebruiken in deze, en het wordt al snel duidelijk hoeveel vergelijkbare wij hebben: ik kreeg van mijn vader voor mijn 18e verjaardag een driedelig pak, zodat ik goed gekleed naar een ‘formeel’ schoolfeest ter afsluiting van het schooljaar kon gaan. Dragen wij niet een pak precies op de momenten waarin wij niet als onszelf, als individu, optreden, maar geacht worden de volwassen burger als zodanig te vertegenwoordigen in een culturele context?

Een dergelijke actieve poging tot dekolonisatie van de geest is niet alleen verrijkend en inzichtelijk, maar ook van groot politiek belang. Zoals de postkoloniale literatuur duidelijk maakt is het zelfversterkende effect van het beeld van de Ander dat deze gedehumaniseerd wordt. Dehumanisatie is de noodzakelijke voorwaarde tot onverschilligheid, haat, en zelfs geweld jegens gehele bevolkingsgroepen en collectieven, zoals de geschiedenis maar al te vaak laat zien. Niet voor niets gaat aan iedere oorlog, ook nu nog, een proces vooraf van dehumanisering van de tegenstander: de tegenstander is altijd onredelijk, fanatiek, vol haat, laf, immoreel, onderdrukkend, en cultureel inferieur, en verdient daarom de ‘correctie’ die de oorlog zal brengen.

Maar zelfs buiten een oorlogscontext worden minderheden vaak onderworpen aan een dergelijk discours. In Nederland heeft dit in de laatste tien, vijftien jaar een bijzonder grote vlucht genomen, waarbij duizenden kleinburgers hun provinciale non-bestaan een nieuwe glans geven door zich op te werpen als beschermers van de superieure ‘Westerse’ of ‘Judeo-Christelijke’ cultuur tegen de invasie van de barbaarse horden. Met deze horden, die gelden als fanatiek, vol haat, laf, immoreel, enz., bedoelt men dan de goedkope arbeiders die door het Nederlandse bedrijfsleven in de jaren ’60 en ’70 naar Nederland zijn gehaald om het loonpeil te drukken, en hun nazaten die in Nederland geboren en getogen zijn. Er lijken vrijwel geen grenzen te zijn aan de mate waarin in Nederland de medeburgers van Arabische komaf, en moslims in het algemeen (vaak ten onrechte als dezelfde groep gezien) als collectief worden gedehumaniseerd, zwartgemaakt, en geëxotiseerd tot in het absurde. Gezien de geschiedenis van dergelijke tendenzen is dat een bijzonder zorgelijke ontwikkeling.

Vandaar dat het zo nuttig en waardevol is dat schrijfster en vertaalster Hassnae Bouazza een boek heeft geschreven met het expliciete doel om de Arabieren en de Arabische wereld menselijk en begrijpelijk te maken. Wat Joris Luyendijk in meer politieke zin al deed in Het Zijn Net Mensen, doet Bouazza voor het alledaagse leven, de seksualiteit, de populaire cultuur, en de beleving van moraal en religie in de Arabische wereld. Hierbij gaat het niet alleen om Marokko, waar Bouazza’s familie vandaan komt en dat in Nederland als prototype geldt voor de Arabische wereld, maar om de hele diversiteit aan landen van Libanon en Syrië tot Egypte en Algerije. Ondanks de proliferatie van de voor velen ongebruikelijke namen is het boek van Bouazza uitstekend leesbaar en geeft zo een nuttige stoomcursus in de populaire cultuur van het Midden-Oosten en Noord-Afrika. Het boek beschrijft welke popmuziek populair is of was, welke films gelden als klassiekers, welke sterren op televisie verschijnen en waar de talkshows over gaan, wat de vooroordelen van de Arabische landen over elkaar zijn, hoe men in de praktijk wel of niet de traditionele patriarchale regels volgt, en de vele manieren waarop Arabieren er in slagen, net als iedereen elders in de wereld, om hun leven kleur te geven met seks, liefde, en escapisme.

Het komt voor de lezer die wat verder kijkt dan zijn neus lang is niet als een verrassing dat de Arabische bevolkingen net zo divers zijn in meningen, beleving van de moderniteit, en ambivalentie jegens morele voorschriften als overal onder de mensheid het geval is, maar voor het hedendaagse Nederland kan dat feit niet vaak genoeg tot een werkelijkheid gemaakt worden. Bouazza nodigt de lezer uit deel te nemen in de belevingswereld van de hedendaagse Arabische cultuur, en daarmee deze een deel te maken van de bredere wereldcultuur waar wij allen in participeren. Het boek is uitdrukkelijk geschreven voor Nederlanders, en doet hiermee voor de Arabische culturen wat ik hierboven illustreerde: een soort anthropologische vertaalslag, maar in narratieve vorm, niet academisch.

Zij doet dit met humor, nuchterheid, en niet zonder een kritische toon – zowel jegens de wederopleving van stricte patriarchale religie in de Arabische wereld (veelal voorzien van geld uit de Golfregio) als ook jegens het hedendaagse Nederland, dat wat kritiek van buitenaf goed kan gebruiken. Nederlanders vergeten ook snel hoe recent veel van de vanzelfsprekendheden zijn: vrouwen hebben pas een onafhankelijk recht op hun eigen inkomen sinds de jaren 80, en de generatie van mijn ouders herinneren zich nog goed dat getrouwde vrouwen routineus ontslagen werden omdat hun man nu voor hen zou zorgen, en dat kinderen geboren buiten het huwelijk met de neus aangekeken werden. (Ik ben zelf van de eerste generatie die daarmee geen problemen ervaren heeft.)

Hassnae Bouazza benadrukt met haar boek de onwerkelijke, obsessieve misrepresentatie van de Arabische wereld en cultuur die gangbaar is in Nederland, in het bijzonder bij het nieuwe rechts. Het is alsof men in het buitenland Nederland zou reduceren tot voetbalhooligans en de SGP. Maar, zoals zij terecht opmerkt, dit verwrongen beeld van een cultuur zo rijk, divers, en evengoed vaak hypocriet en oppervlakkig als ieder ander is een beeld waar de kleinburgers niet vanaf willen: de dehumanisering van de Arabische wereld dient hen tot een vijandbeeld dat hen lief is, een boeman wiens aanwezigheid hun eigen bestaan meer significantie geeft dan het werkelijk heeft. Zo is het altijd met samenzweringstheorieën, van wat voor soort ook: het gevoel de enige te zijn die de vijand werkelijk doorheeft en de laatste verdediging ertegen uitmaakt is een bevredigende gedachte, zelfs al behoort het geheel in het domein van de verbeelding.

Het is daarom helaas niet te verwachten dat Bouazza’s informatieve, vermakelijke, en soms roerende boek bij dit publiek veel teweeg zal brengen. Voor de geïnteresseerde leek, echter, is het een ideale introductie tot wat de ‘gemiddelde Arabier’ bezighoudt, voor zover zoiets bestaat. De persoonlijke elementen van het verhaal, waarin de auteur haar eigen familie-ervaringen beschrijft evenals de hopeloze pogingen de stroom van fanatieke obsessie met Arabieren en de Islam te keren, geven het geheel een vorm die een opsomming van TV-personages anders niet gehad zou hebben en die het boven het encyclopedische uittilt. Tenslotte is het vlot en leesbaar geschreven en, zoals een Nederlands publiek dat graag ziet, niet lang. Zeker aan te raden, en hopelijk leidt het ertoe dat in Nederland met een minder koloniale blik naar de Arabische wereld wordt gekeken.

1 reactie

Opgeslagen onder Boekrecensie

Morele verontwaardiging

Nadat een in de Verenigde Staten al meermalen veroordeelde oplichter en fraudeur een idioot filmpje over de Islam heeft gemaakt, vol van beledigingen en de standaard hersenloze onzin over de profeet als pedofiel en wat dies meer zij, breken er rellen uit in verschillende landen met een grotendeels moslimbevolking, zoals in Noord-Afrika. Aan de ene kant heeft dit een vooralsnog onbekende militante groepering de gelegenheid gegeven om het Amerikaanse consulaat in Benghazi aan te vallen, waarbij de ambassadeur en verschillende stafleden gedood worden (waaronder iemand die ik nog ken van een politiek forum, maar dat is een ander verhaal). Aan de andere kant geeft deze uitbarsting van gewelddadige demonstraties ook weer ruimschoots gelegenheid voor het zelfvoldane commentariaat in Nederland om met de vinger te wijzen naar die gekke Arabieren die toch altijd maar overal zo onbegrijpelijk boos om worden. Waarom toch die morele verontwaardiging over een dom filmpje?

Zo makkelijk is het natuurlijk niet. Wat de neerbuigende commentatoren niet begrijpen is dat het bij gelegenheden als deze ook niet werkelijk gaat om deze of gene film of deze of gene striptekening in een Deense krant. Wat werkelijk ter zake doet is dat sinds het einde van de 19e eeuw de Britten, Fransen, Amerikanen en zo voort zich onophoudelijk hebben bemoeid met de politiek van het Midden-Oosten (in ruime zin) en Noord-Afrika. De geschiedenis van de Westerse interacties met deze regio zijn in de afgelopen 150 jaar een voortdurende opeenstapeling geweest van kolonisaties, installatie van marionet-dictators, bombardementen, strafexpedities, het tegen elkaar uitspelen van religieuze en etnische groeperingen, het opslokken van de oliewinsten en het actief bevorderen van obscurantisme, religieuze fanatici, en patriarchale instituties zolang deze de ‘stabiliteit’ waarborgden. Daar komt dan nog de hypocriete steun aan Israël als racistische en koloniserende settler-staat bij. Alleen maar in de laatste twintig jaar hebben mensen in de regio met lede ogen toe moeten zien hoe er invasies of militaire strafacties werden gepleegd van deze of gene soort in Afghanistan, Irak, Libië, Jemen, en Pakistan. Dat is dan om nog niet te spreken over de steun voor de absolute monarchieën in Saudi-Arabië en Bahrein, waar een poging tot democratische revolutie in het kader van de ‘Arabische lente’ bloedig is neergeslagen zonder dat dit veel de kranten heeft gehaald.

De Nederlandse commentatoren in hun zelfgenoegzaamheid denken kennelijk dat de gemiddelde Egyptenaar, Libiër of Syriër dit allemaal van de ene dag op de andere vergeet; zij denken dat het historisch geheugen van deze mensen zo kort is als dat van ons als het om die regio gaat. Dat is niet het geval. In werkelijkheid is het niet van doorslaggevend belang wat de onmiddellijke aanleiding is, waar het om gaat is dat mensen in de regio zo voortdurend onderdrukt, uitgebuit, gebombardeerd, voorgelogen en klein gehouden worden dat welke aanleiding dan ook voldoende is om hen in hun machteloosheid tot razernij te brengen. In dat opzicht heeft het heel weinig te maken met of het Arabieren zijn of wat ‘de Islam’ wel en niet vindt, maar zijn fenomenen als deze veel meer analoog aan de rellen die vorig jaar Londen troffen. Ook daar was de onmiddellijke aanleiding een enkel onduidelijk geval van politiegeweld bij de arrestatie van een (vermoedelijk) bendelid, en waren de rellen niet in enige zin politiek ‘constructief’; maar voor mensen die alsmaar worden vernederd en met voeten getreden is het alsof men een lont werpt in het spreekwoordelijke kruitvat. Je kunt dan wel fijn vanuit je luie stoel in Helmond of Hilversum hypocriet gaan doen over de gewelddadigheid van de Arabieren, maar dan is zo’n moralisme opmerkelijk misplaatst, zeker zolang Nederland nog troepen heeft in Afghanistan en één van ’s werelds meest pro-Israëlische buitenlands beleidskoersen vaart.

Zoals W.F. Hermans jegens ‘links’ al vaak opmerkte en zoals nu jegens ‘rechts’ moet worden opgemerkt, de meerwaarde van morele verontwaardiging in de politiek is maar heel beperkt. Het klassieke weerwoord is weliswaar altijd: tout comprendre, c’est tout pardonner – het stereotype van de gemakzuchtige hippie-pacifist die alles wel goed vindt en altijd maar zegt dat de mensen verkeerd begrepen zijn. Toch is dat niet werkelijk ter zake. Het punt is niet dat politiek geen morele, strategische en ideologische oordelen vergt; daar bestaat politiek uit. Maar het is zinloos om morele verontwaardiging of politieke oppositie als uitgangspunt te nemen voor een politieke analyse, nog voordat de werkelijke empirische en theoretische overwegingen gedaan zijn.

Dit is een probleem niet uniek voor het soort opportunistische Eurocentrisme zoals in dit specifieke geval veel getoond wordt, maar geldt ook bijvoorbeeld binnen linkse kringen voor het type analyse wat bij voorbaat al weet dat als een politieke omwenteling niet op de Russische Revolutie lijkt, het niet de moeite waard kan zijn. Eerst moet een bepaalde situatie begrepen worden, en dan kan daarna altijd nog het passende morele of politieke oordeel geveld worden. Dit is een triviaal vanzelfsprekend gegeven in iedere competente aanpak van geschiedschrijving, echt een kwestie van History 101. Dat dit niet als vanzelfsprekend wordt beschouwd is dan ook kenmerkend voor de immense intellectuele luiheid van het soort Huntingtoniaanse oriëntalisme dat steeds weer de kop op steekt in de Nieuw Rechtse commentaren.

Het bestrijden van oriëntalistische impulsen (die vrijwel onvermijdelijk zijn voor mensen die in West-Europa opgroeien) is een essentiëel onderdeel van het bestrijden van racisme in bredere zin. De morele verontwaardiging opschorten totdat je werkelijk een begrip hebt van de omstandigheden – politiek-economisch, historisch, en wat verder van belang is – maakt daar weer deel van uit. Dit betekent niet het weigeren van ieder oordeel vanuit een incoherent soort moreel relativisme. Maar het betekent dat morele verontwaardiging alleen past wanneer deze consistent wordt toegepast, over de misdaden van het eigen land en de eigen cultuursfeer even goed als over die van een ander, en pas nádat de intellectuele en empatische inspanning is geleverd de ander te begrijpen. Dan kunnen we rustig nog zeggen dat we vrouwenbesnijdenis of het lynchen van mensen die de Islam ‘beledigen’ politiek en moreel afwijzen. Maar dan is morele verontwaardiging tenminste niet meer een substituut voor werkelijk begrip.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Religie