Tagarchief: Nostalgie

Nostalgie

Het is een tijd van crisis – de meest ernstige sinds de Grote Depressie. De welvaart in West-Europa stagneert of neemt af, overal zijn bezuinigingen en noodmaatregelen aan de orde van de dag, en de relatieve positie van Europa in de wereld komt elke dag verder in het gedrang. Het is dan ook niet verbazend dat onder de bevolking gevoelens van spanning en angst lijken te regeren. Normaliter zijn er onder zulke omstandigheden twee reacties mogelijk. Men kan de vlucht naar voren kiezen, en proberen toekomstgericht veranderingen door te voeren zodat de huidige situatie zich niet weer voor zal doen; de andere optie is de terugblik, de wens dat dingen weer zullen zijn zoals ze vroeger waren, de behoefte een oudere orde die als beter wordt gezien te herstellen. Deze optie, de nostalgie, lijkt op het moment bijzonder sterk in West-Europa, misschien dominant zelfs, op een manier die het in lange tijd niet geweest is. Vanuit het oogpunt van een ernstige crisis van economische èn politieke aard, maar met een nog steeds aanzienlijk hoge levensstandaard, is het misschien begrijpelijk dat de nostalgische denkwijze overwegend de meest populaire is. Maar zoals verschillende voorbeelden van nostalgisch denken duidelijk maken, brengt het serieuze intellectuele en politieke problemen met zich mee.

Het zogenaamde ‘Marokkanenprobleem’, beter gezegd het voortdurende gevoel van vijandigheid en onbehagen jegens de vaak tweede of derde generatie niet-Westerse migranten in Nederland, is een ‘probleem’ dat voor een groot gedeelte bepaald wordt door nostalgische gevoelens. Hier spelen twee factoren. Ten eerste is er het gevoel dat met de massa-migratie ook de misdaad en de onveiligheid enorm toegenomen is, een sentiment dat zich weinig laat beïnvloeden door de daadwerkelijke misdaadcijfers, die juist de laatste twee decennia een stagnatie of daling van de misdaad laten zien. Zelfs onder de intellectuele, GroenLinksige middenklasse hoor je geregeld opmerkingen over hoe ‘vroeger in het dorp je nooit de deur op slot hoefde te doen’ en hoe in de ‘probleemwijken’ niet te leven is, terwijl vroeger kon je nog veilig over straat naar de opera zonder lastig gevallen te worden, en zo voorts. Dat de cijfers inderdaad een disproportionele rol in de misdaad (zelfs gecorrigeerd voor inkomen en opleiding) van jongemannen uit bepaalde etnische groepen aanduiden, maakt van dit instinct een grotere werkelijkheid in de alledaagse beleving.

Dit wordt nog eens versterkt door de andere nostalgische factor: het gevoel dat ‘we ons land kwijt zijn’, dat als je over straat loopt in bepaalde buurten er bijna geen witte gezichten meer zijn, dat men overal andere talen dan Nederlands spreekt, ‘onze tradities’ worden aangetast (vandaar dat incidenten rond 4-5 Mei bijvoorbeeld zo’n weerslag hebben), en zo voort. Hier spreekt een sterke culturele nostalgie uit die niet goed begrepen wordt door de kosmopolitische, hoogopgeleide delen van de bevolking, maar zonder meer enorm bijdraagt aan het succes van nieuw-rechts. Dit uit zich politiek dan ook als het idee van ‘het verraad van de linkse elite’ – een vreemde constructie, in de meeste historische situaties een contradictio in terminis, maar een bijzonder gevaarlijke en potente gedachte in situaties waarin een aanzienlijk deel van de bevolking er een revanchistische nostalgie op na houdt. De parallellen met de Dolchstosslegende, die de Weimar-republiek in zijn greep hield en bijdroeg aan de delegitimering van de linkervleugel en de opkomst van de fascisten, dringen zich op.

Ook in andere domeinen is er een nostalgische tendens gaande. In het Verenigd Koninkrijk werd het nieuws onder andere bepaald door de parlementariër Diane Abbott, die een campagne begon tegen de ‘hyperseksualisering’ van de maatschappij en de dominantie van sex en sexueel denken onder jongeren, in het straatbeeld, en zo voort. Dit volgt slechts korte tijd nadat de Britse justitie (uiteindelijk zonder succes) de carrière van een hoge ambtenaar ruïneerde door hem te vervolgen voor obsceniteit, omdat hij pornografie bezat van een aantal fisting-scènes, en de eveneens mislukte vervolging van een freelance-escort voor het produceren van homoseksueel BDSM-materiaal. Zulke vervolgingen gebeuren in Nederland misschien niet snel, hoewel de wet op dit gebied bepaald niet helderder geregeld is, maar de geregelde morele panieken over het seksueel gedrag van jongeren, de ‘verslavingen’ aan pornografie, evenals de angst voor naaktheid zijn bepaald niet ongebruikelijk.

Het is dan ook van belang om op te merken dat Abbott, in tegenstelling tot wat je misschien zou denken, een Labour-parlementariër is, en wel van de linkervleugel van de partij. In het Verenigd Koninkrijk is het juist de linkervleugel van Labour die zich vaak uitgesproken nostalgisch opstelt. Tony Blair’s overwinning in de jaren ’90 werd sterk bepaald door de hekel die men toen had aan het nostalgische van de Conservatives, maar óók van Labour-links. Echter in de huidige omstandigheden, jaren van crisis in plaats van een boom, is nostalgie ineens weer in de mode. Net als in Nederland is het de band van politiek links met de vakbonden die vaak een nostalgische politiek versterkt: vakbonden zijn tenslotte in de eerste plaats defensieve instituties, en hebben in een (post-)sociaal-democratisch land eerder als doel om de bestaande orde te verdedigen dan om een vernieuwende strijd om structurele verandering te voeren. Dat leidt vanzelf tot een nostalgie voor de jaren ’60 en ’70, toen ‘onze verworven rechten’ nog zeker waren, de lonen hoog, de pensioenen uitstekend, en zo voort. Ook dit patroon is overal in West-Europa terug te zien, en speelt een grote rol in de politiek van het verzet dat de linkervleugel in verscheidene landen probeert te voeren tegen het bezuinigingsbeleid.

Maar nostalgie is op den duur een schadelijke en onproductieve strategie en een gevoel zonder basis in de realiteit, en we moeten ons er tegen verzetten. Ten eerste is nostalgie incoherent: het gevoel van ‘vroeger’ lijkt in sterke mate bepaald te zijn door de ervaring van de jaren ’50 en ’60, toen de generatie die nu de pensioenleeftijd nadert jong was. Het zal wel zo zijn dat er toen minder misdaad was, er meer gevoel was van sociale cohesie, en zo voort. Maar deze jaren waren vanuit economisch historisch opzicht bijzonder ongebruikelijk: eigenlijk de enige periode in de moderne geschiedenis dat de welvaart voor iedereen (in het Westen) toenam, dat overal de levensverwachting steeg, de productiviteit enorm verbeterde, en de voordelen hiervan bovendien relatief breed verdeeld werden. Men zou kunnen zeggen dat, in ieder geval in West-Europa en Noord-Amerika, de jaren ’50 en ’60 de enige periode waren dat het kapitalisme werkte. Maar dit is uitzondering, niet regel: de periodieke zekerheid van crisis werd erdoor niet opgeheven, en met de jaren ’70 was de droom voorbij. Sinds pakweg 1800 is de situatie van grote ongelijkheid, ernstige werkloosheid, zeer grote verschillen in groei of afname van de levensstandaard tussen verschillende bevolkingsgroepen, een politiek beleid expliciet in het voordeel van een kleine economische elite, en wat dies meer zij, juist aan de orde van de dag geweest – dít is de representative situatie. Wat we nu meemaken is, inderdaad, the new normal; maar alleen maar ‘new’ vanuit een zeer kortzichtig historisch perspectief.

Ten tweede is nostalgie vergeetachtig. Het is makkelijk te zeggen dat je vroeger overal met Nederlands terecht kon en dat je zo’n band met de buurvrouw had. Maar laten we niet vergeten dat de verzuiling Nederland maakte tot een soort Noord-Ierland zonder wapens; dat je als vrouw niets in te brengen had en geen beschikking had over eigen middelen of carrière; dat je met de ‘verkeerde’ seks de gevangenis in ging en mannen met lang haar of de verkeerde kleding in cafés geweigerd werden; en ook dat men alleen geen ‘allochtonenprobleem’ had omdat er eenvoudigweg zo weinig migranten waren, en het daarom moeilijker was om alle problemen aan hen toe te schrijven – maar dat is wel iets wat bijvoorbeeld vóór 1940 routineus de Joden overkwam, die nu als modelburgers gelden. Het is belachelijk te doen alsof Westerse samenlevingen een hyperseksueel karakter hebben, als je in alle 19e-eeuwse literatuur kunt lezen over hoeveel eerder meisjes zwanger werden, hoeveel meer en eerder jongeren seks hadden, en hoe eindeloos veel neurotischer en obsessiever er met seksualiteit omgegaan werd juist door de repressie van ieder seksueel idee of beeld uit de publieke ruimte. Als het werkelijk toen zoveel beter was op seksueel gebied, had Freud nooit iets te doen gehad. Ook doet een nostalgische houding over seksualiteit onrecht aan de werkelijke overwinningen die de feministische en LGBT-bewegingen geboekt hebben in de laatste paar decennia. Hoewel er nog veel te verbeteren valt, wordt verkrachting veel serieuzer genomen en binnen het huwelijk nu ook strafbaar, is de pil wijdverspreid, hebben vrouwen een recht op een eigen seksleven op hún voorwaarden verworven, is prostitutie eindeloos minder gangbaar dan het vroeger was, bestaan er nu beschermingen tegen invasies van de privacy en voor mensen met een andere geaardheid dan gebruikelijk, noem maar op.

Dit brengt mij dan ook tot het laatste punt: nostalgie is uiteindelijk politiek gevaarlijk. Juist de combinatie van selectief geheugen over het verleden en de veroordeling van de ‘chaos’ of ‘zwakte’ van nu is een denkwijze die eigenlijk alleen bij de rechtervleugel een thuis kan vinden, ongeacht vanuit welke hoek deze verwoord wordt. Het heeft evidente overeenkomsten met revanchistisch nationalisme, dat over de natie-staat als geheel een vergelijkbare selectiviteit van geheugen toont en op basis daarvan een kunstmatige onvrede mobiliseert. Gezien de enorme verbeteringen op veel sociale, politieke, en zelfs culturele gebieden vergeleken met de boven beschreven situaties is een tendens tot nostalgie, zelfs als deze zich uit in puur economische termen, bijzonder onwenselijk. Het is begrijpelijk dat politiek links in West-Europa zich probeert te redden uit te steeds verder voortschrijdende ondergang van de sociaal-democratie door te hunkeren naar de jaren dat centrum-links de hegemonie had en de ongelijkheid kleiner was, de groeicijfers nog positief; maar die jaren kunnen niet terugkomen en komen ook niet terug.

De sociaal-democratie brokkelt af niet doordat mensen niet inzien dat het in de jaren ’70 beter was, maar omdat het Westen überhaupt haar economische dominantie over de rest van de wereld zeer langzaam, maar zeker, aan het verliezen is. En gezien de geschiedenis van imperialisme, kolonialisme en slavernij die ten grondslag ligt aan deze dominantie, is dat helemaal niet iets om nostalgisch over te zijn. Voor de sociaal-democraten is dat lastig, want uit een kleinere buit valt minder te verdelen – maar deze nostalgie betekent niets voor de bevolking wiens grootouders in de jaren ’60 naar Nederland gemigreerd zijn. Het betekent ook niets voor de rest van de wereld, of doet hoogstens denken aan het stiekeme verlangen naar post-feodale chic die spreekt uit Downton Abbey, en met even weinig politieke waarde of realiteit.

Uiteindelijk gaat de tijd slechts één kant op, en er is geen hoeveelheid morele panieken over het verlies van normen en waarden (overigens een vast element in 19e-eeuwse conservatieve polemiek) die daar iets aan kan veranderen. Als progressief denkend Nederland niet geheel het onderspit wil delven aan de alliantie tussen nostalgisch denkend klein-rechts, met de Little Englander-mentaliteit van de Wilders-stemmers, en de politieke vertegenwoordigers van de financiële branches die de Westerse politiek in de houdgreep houden, dan moet iedere neiging tot een ‘linkse’ nostalgie zonder meer de kop in gedrukt worden. Traditioneel heeft links het altijd het best gedaan als het de partij van het optimisme is, van het geloof in de vooruitgang en de toekomst, als het mensen niet alleen een radicale kritiek van het bestaande biedt maar ook een hoop op iets beters. De overwinningen van Obama tonen dit aan, zij het dat het bij hem beperkt blijft tot alleen dit retorisch repertoire.

De Verlichtingsdenkers van de 18e eeuw geloofden dat de toekomst lag in de overwinning van de rede over de conservatieve krachten van religie en domheid; de socialisten van de 19e eeuw dat technologie een unieke mogelijkheid bood om de economische ontwikkeling in het belang van de grote meerderheid te stellen; en de communisten van de 20e eeuw dat de geschiedenis met hen was, en uiteindelijk oorlog en winstbejag zou overwinnen. Het is in deze geest dat alle grote vooruitgang heeft plaatsgevonden, want iedere keer dat een bevolking gesteld wordt voor de keuze tussen een hoopvol links en een nostalgisch rechts, wint de eerste. Maar nostalgie betekent uiteindelijk het opgeven van de strijd: de strijd om hoop te behouden, wat zich ook mag voordoen.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek

Sluitingstijden

Hoewel misschien eigenwijs en koppig van aard, ben ik niet van nature een liefhebber van in de contramine gaan, tenminste niet slechts omwille van een suggestie van oorspronkelijkheid. Mijn theoretische belangstellingen liggen vermoedelijk ver buiten (ik wil niet zeggen boven of onder) het gemiddelde in Nederlandse politieke en sociale discussie, maar in het meerendeel van de concrete kwesties die zich voordoen in de dagelijkse politiek schaar ik mij graag bij de consensus van ‘links’. Het is maar vrij zelden dat ik het echt oneens ben met de standpunten van de SP en dergelijke, zolang we binnen het beperkte kader van die dagelijkse politiek blijven. Toch moet ik in het geval van de discussie over het verruimen van de sluitingstijden een uitzondering maken. De SP, en het grootste gedeelte van Nederlands links is hier tegen, en juist de liberalen (zoals men zou verwachten) zijn voorstanders. Niettemin lijkt mij ook de sluitingstijdenwet zoals deze heeft bestaan waarschijnlijk onhoudbaar, en ik zou het ook niet willen behouden. Alleen, mijn redenen zijn enigszins anders dan die van de liberalen, natuurlijk.

In de gehele discussie over de sluitingstijden wordt het al snel duidelijk dat wat links er op tegen heeft, en wat de liberalen er op voor hebben, hetzelfde is: het onmiskenbare feit dat een uitbreiding van de toegestane openingsuren op zondag meer concurrentie betekent over een langere tijd van de week, en dus het moeilijker maakt voor kleinere firma’s om het op te nemen tegen grotere firma’s. Er is geen reden te betwijfelen dat dit een reëel effect is. Voor de confessionele conservatieven speelt natuurlijk ook een rol dat het een (verdere) schending betekent van de goddelijke zondagsrust, al schijnt men inmiddels er weinig op tegen te hebben dat medeburgers wier heilige dag op zaterdag of vrijdag valt die rust op die dagen genieten in plaats van de zondag. Dit argument wordt terecht als weinig overtuigend ervaren, gezien hoe gering de rol is die het speelt in de discussie buiten CDA en ChristenUnie-achtige kringen. Sowieso kan er in een steeds meer seculier land geen sprake zijn van een afdwingen van een verplichte religieuze rustdag op last van de overheid. Maar het centrale punt, de concurrentie, is een interessante.

Wat mij in deze discussie enorm heeft verbaasd is hoe snel links zich heeft geïdentificeerd met de belangen van de kleine winkeliers en zogenaamde ‘zelfstandigen’ en hun beweringen dat de verruiming een vorm van ‘oneerlijke concurrentie’ zou inhouden. Misschien komt dit voort uit een lovenswaardige behoefte de underdog te steunen, maar met links heeft het weinig te maken. Allereerst is het onzin te spreken van oneerlijke concurrentie. Er is niets oneerlijks aan: het is precies dezelfde concurrentie die ze alle overige zes dagen van de week al ervaren. Als die concurrentie wordt aanvaard als eerlijk, is het volstrekt arbitrair ineens te zeggen dat dat de zevende dag van de week niet mag. Dit zou het equivalent zijn van een stelling, dat het eerlijke concurrentie is voor een grote ‘buurtsuper’ met een oppervlak van 300 m² te concurreren met een kruidenier, maar het is ineens oneerlijke concurrentie als die buurtsuper er nog eens 50 m² bij krijgt! Dat slaat geheel nergens op.

Het is onmiskenbaar waar dat de kleine winkeliers en midden- en kleinbedrijf er behoorlijke extra loonkosten bij zouden krijgen, als zij ook op de zondag dezelfde concurrentie aan zouden moeten gaan als ze al op maandag tot zaterdag doen. Maar nou en? Wat zou dat? Het lijkt mij een teken van de steeds verdergaande theoretische onderontwikkeling van linkse politiek en het steeds verder uitbreidende populistische ad hoc-gedrag van de partijen dat hier helemaal niet over nagedacht is. Het is begrijpelijk dat heel specifieke soorten winkels bijvoorbeeld wenselijk worden geacht voor het algemeen welzijn, zoals de vaste boekenprijs het mogelijk maakt voor boekwinkels om te bestaan en op deze manier een culturele functie te vervullen, die eventueel nog te rechtvaardigen is. Maar daarin wordt niet ineens beslist dat kleine boekwinkels geen concurrentie hoeven te ondergaan van grote, en dat kan ook niet.

Het is een illusie te denken dat kleine firma’s en winkels inherent beter, wenselijker, of minder exploitatief zouden zijn dan grote. In werkelijkheid is het omgekeerde juist vaak het geval: niet alleen bieden grotere winkels doorgaans lagere prijzen voor een massapubliek, wat soms positief is en soms niet (zoals Walmart aantoont), maar de lonen zijn er doorgaans hoger en zij nemen meer allochtonen en vrouwen aan, het is moeilijker vakbonden te vormen in kleinere firma’s en representatie van werknemers mogelijk te maken, en bieden meer baanzekerheid. De invloed op de totale werkgelegenheid van grote firma’s is aanzienlijk significanter dan die van kleine, dus voor de strategische korte termijn van links (waarin traditioneel werkgelegenheid een grote rol speelt) is het bevoordelen van kleinbedrijf een dubieuze denkwijze. Ook elders gaat dit op: de meerderheid van de sweatshops in de Derde Wereld zouden gelden als ‘midden- en kleinbedrijf’, bijvoorbeeld.

Er wordt wel gezegd dat deze redenering niet opgaat voor zogenaamde ‘zelfstandigen’, en dat deze bijzondere bescherming verdienen juist omdat zij niet volgens de politieke economie van links exploitatief zouden zijn, in tegenstelling tot firma’s met werknemers. Nog los van de vraag, hoe zelfstandig een zelfstandige eigenlijk is die special pleading in de wet nodig heeft om boven water te blijven, berust dit op twee illusies. Ten eerste is de zelfstandige evengoed ‘exploitatief’ – in ieder geval in de technische, misschien niet in de morele zin – alleen hij of zij exploiteert zichzelf, zijn of haar eigen tijd. Dit gaat net zoals in de kleine, maar marktgeoriënteerde boerenstand, waar traditioneel de reactie op nieuwe concurrentie altijd een nog verder beroep op de arbeidstijd van de boerenfamilie zelf is, tot ze er bij neervallen. Dat lijkt me vanuit een breder progressief oogpunt niet een situatie die we als status quo willen bevriezen. Ten tweede is het evident dat de maatschappij niet uitsluitend kan bestaan uit talloze zelfstandigen zonder personeel die hun diensten uitruilen. In de klassieke discussie in de 19e eeuw wees Marx zijn tegenstander Proudhon hier al op: niet alleen heeft zo’n situtatie historisch nooit bestaan, maar deze zou ook niet stabiel zijn, en vanzelf leiden tot schaalvergrotingen, uitstoting van de verliezers van de concurrentie, en zo voorts, totdat de huidige situatie zich weer voordoet.

Toen ik enige jaren geleden nog als bewoner van Utrecht in een referendum mocht stemmen over de verruiming van de openingstijden, stemde ik dan ook vóór, maar mijn ouders stemden beide tegen. Toen ik hen hierover vroeg, verklaarden zij dat ze graag op zondag gaan wandelen in de stad en het dan zo fijn rustig is, en als de winkels open zouden zijn zou het misschien overspoeld worden door ‘provincialen’ die komen winkelen. Nu ben ik bijzonder dol op mijn ouders – en trouwens ook op wandelen – maar het moge duidelijk zijn dat dit niet een sentiment is, hoe begrijpelijk ook, dat welk collectief bestuur dan ook serieus zou moeten kunnen nemen. Wat ik dus met dit alles zeggen wil is dat de steun van links voor de sluitingstijdenwet als politiek behoort tot de romantische reactie, tot de nostalgie, een poging om een geïdealiseerde oude situatie kunstmatig in stand te houden zonder de dynamiek en de kenmerken ervan serieus onder de loep te nemen. Dit is al een heel oud gevaar voor links. Het is al te makkelijk om te denken dat omdat de dingen nu slecht zijn, ze dus vroeger wel beter moeten zijn geweest, of dat verdere verandering alleen nog verdere verslechtering kan betekenen. Deze reactionaire impuls moet bestreden worden, en het feit dat de linkse partijen hierin juist medestanders vinden in de meest conservatieve sferen van Nederland zou te denken moeten geven. Er bestaat teveel romantiek over kleinbedrijf, het is tijd dit te veranderen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Economie