Tagarchief: Racisme

Wat Wijnberg Niet Ziet

Het is ernstig gesteld met het kritisch discours in Nederland als Joost Niemöller zowaar een goed punt heeft. Rob Wijnberg, correspondent Media, Politiek & Filosofie van De Correspondent (dat is kennelijk geen pleonasme), schreef een stuk naar aanleiding van de Zwarte Piet-discussie waarin hij zowel voor- als tegenstanders van de huidige Pietvorm aan de kaak stelt. In dit artikel betoogt Wijnberg dat hij een ‘raciaal skepticus’ is. Hiermee bedoelt hij dat rassendenken een vorm van essentialisme is: een manier van denken die uitgaat van onveranderbare genetische verschillen tussen mensen en die gebruikt als verklaring voor gedragsverschillen of het vaststellen van een morele hiërarchie. Zulk denken, zegt Wijnberg, is racistisch en wijst hij af. In plaats daarvan moeten we begrijpen dat mensen slechts gradueel van elkaar verschillen, niet in essentie, en dat daarom categorieën zoals ras geen betekenis hebben. “Even heel simpel gezegd: er zijn geen ‘blanken’ en ‘zwarten’, er zijn alleen tinten. Vandaar ook dat de raciaal scepticus het concept ‘ras’ typeert als een ‘culturele misvatting’”.

Vervolgens beticht hij Quinsy Gario, die de discussie over Zwarte Piet zou hebben aangezwengeld, van dezelfde fout: door Zwarte Piet racisme te noemen denkt hij in rassen als iets wat echt bestaat, in plaats van de categorie te herkennen als een illusie. Aan de ene kant, betoogt Wijnberg, wil Gario dat we ras niet zien, zodat racisme onmogelijk wordt; aan de andere kant vindt hij Zwarte Piet racisme en vindt hij het verkeerd dat witte Nederlanders dat niet zien. We moesten toch juist het niet zien? Zo is de redenering van de filosoof.

Maar als dit een vorm van filosofie is, dan eerder een soort sofisme. Wijnberg’s redenering is een heel gangbare reactie van de ‘verlichte’ liberaal, wiens uitgangspunt de neutraliteit van definities is. In de Verenigde Staten is dit ook stelselmatig de reactie als witte mensen worden aangesproken op de collectieve structuur van, en dus collectieve verantwoordelijkheid voor, racistisch discours. “Ik weet daar niets van, ik zie ras niet eens! Ik geloof alleen in mensen!” en zo voorts.

Maar zo makkelijk gaat dat niet. Wijnberg heeft natuurlijk gelijk dat rassen niet ‘echt’ bestaan, in de zin dat ze een sociale en politieke constructie zijn die een bepaalde reeks arbitraire eigenschappen heeft gemaakt tot een ‘ras’, en deze ‘rassen’ weer heeft onderverdeeld in een bepaalde hiërarchie. Maar Wijnberg maakt vervolgens de klassieke filosofische fout om te denken dat het feit dat iets sociaal en historisch geconstrueerd is, dus een aanwijsbare politieke oorsprong en context heeft, ook betekent dat het daarmee niet ‘echt’ een effect heeft. Dit is pertinent onjuist. Dat ras niet een objectief fundament heeft in de wetenschap, kortom dat het een culturele en politieke conventie is, betekent niet dat je het eenvoudigweg kunt wegdenken.

Op het moment dat een categorie zoals ras – en hetzelfde kan gezegd worden van gender, sexualiteit, en allerlei andere identiteiten – hiërarchisch geordend wordt, en hier politieke en sociale consequenties aan verbonden zijn, is het even ‘echt’ als wat dan ook. Het is wat Marx een ‘reële abstractie’ noemt: iets wat puur conceptueel bestaat, maar door de functie in de maatschappij een werkelijk effect uitoefent. Het doet er niet toe of de wetenschap zegt dat wit en zwart niet bestaan, als je in de maatschappij wordt aangemerkt als wit of zwart, en als die aanmerking vervolgens bijzonder tastbare gevolgen heeft voor je kans op een baan of opleiding, hoe mensen je bejegenen, waar je woont en hoe je spreekt, en zo voorts. Sociale feiten zijn geen biologische feiten, en dat is belangrijk te onderscheiden. Maar evenmin is het eenvoudigweg een kwestie van ‘niet zien’. Als je ras niet ziet, betekent dat niet dat het daarmee verdwijnt, maar alleen maar dat je je ogen sluit voor de gevolgen ervan.

Om ras werkelijk te doen verdwijnen is het nodig dat de sociale en politieke basis voor de hiërarchische verdeling verdwijnt. Racisme bestrijden waar het zich direct voordoet, zoals Gario probeert met zijn campagne over Zwarte Piet, is dus juist een stap in de richting van het ‘niet zien’ van ras. Dat is niet, zoals Wijnberg suggereert, slechts een epistemologisch probleem – een kwestie van niet langer in die termen denken – maar een sociaal probleem. Wittgenstein wees er op dat er niet zoiets kan bestaan als een privétaal. Alle concepten en alle sociale constructies worden collectief gedeeld door opvoeding in een gezamenlijk taal- en begrippenkader. Het is daarom niet met het individu, maar met de structuur van de maatschappij waarin mensen hun taal en concepten leren dat een idee als ‘ras’ staat of valt. Wijnberg, als filosofisch geschoold schrijver, zou dat moeten weten.

Als Niemöller dus Wijnberg bekritiseert , heeft hij zowaar een punt. Niemöller zegt dat hij, in tegenstelling tot Wijnberg, tenminste Gario de waardigheid wil gunnen hem te erkennen als zwart, en niet vanuit de positie van een witte man wil doen alsof hij dat ‘niet ziet’. Als de maatschappij waarin hij opgroeit hem vertelt dat hij zwart is, en als wat met ‘zwart’ bedoeld wordt onder andere de lading ‘Quinsy Gario’ dekt, dan is Gario zwart in onze taal – dat is wat Wittgenstein duidelijk maakt. Dat Niemöller daar vervolgens zijn gewoonlijke racistische spiel aan toevoegt over de biologische realiteit van rassen en het belang daarvan voor de hedendaagse politiek, doet er niets aan af.

Hetzelfde geldt ook voor hoe Wijnberg ras als culturele misvatting duidt. Inderdaad is ras niet ‘echt’ in de zin van ‘transhistorisch en wetenschappelijk meetbaar’. Maar dat is niet het enige wat er bedoeld wordt met het begrip ‘echt’ als het om een categorie als ‘ras’ gaat. Ras is wel ‘echt’ in de andere zin van dat woord: namelijk dat het een oorzaak is met tastbare gevolgen. Wijnberg’s redenering is dus in twee aspecten gebaseerd op een verkeerd begrip van taal en haar concepten.

Het is kenmerkend, denk ik, voor het immens lage theoretische niveau van discussie in Nederland dat redeneringen zoals die van Wijnberg zo gangbaar zijn. Het is natuurlijk een makkelijke manier voor welwillende individuen om zich te ontdoen van wat anderszins een netelig moreel en politiek probleem zou kunnen zijn. Maar ik wil niet beweren dat Wijnberg niet meent wat hij zegt. Als we het met meer goede wil lezen, dan kun je niet anders dan concluderen dat de fout ontstaat doordat Wijnberg eenvoudigweg niets afweet van wat ‘kritische theorie’ genoemd wordt, in ieder geval niet op dit gebied.

De relatie tussen identiteit, de sociale constructie van politieke en sociologische categorieën, en de effecten van discours is nu al zo’n 30-40 jaar een centraal onderwerp in een uitgebreide literatuur van ‘kritische theorie’. Veel hiervan is enorm abstract en weinig toegankelijk, des te meer vanwege het zware jargon van cultural studies. Maar het zou Wijnberg en de vele discussianten sieren als ze hier wat meer over lazen, voordat ze eenvoudige fouten maken – zoals het verschil tussen ‘culturele misvatting’ en ‘niet echt’.

Advertenties

3 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Politiek, Theorie

Niemöller Redux

Burger Niemöller, met wie ik het al eens eerder aan de stok had, is zich weer eens te buiten gegaan aan een racistische tirade met het oogmerk te onderstrepen hoe kwalijk de zogenaamde massa-immigratie voor Nederland wel niet is. Hij lijkt zich dit keer bijzonder bewust te zijn van de rassentheoretische grondslag van zijn opmerkingen, want het hele artikel probeert van meet af aan de beschulding van racisme af te wimpelen door er juist op te wijzen, zodat het een overbodige en reeds voorziene kritiek zal lijken. In de literatuur over genre-fictie heet zoiets een lampenkap ophangen: men neemt iets wat binnen het verhaal storend of weinig plausibel is – meestal omdat de schrijver geen andere oplossing kan vinden – maar om de aandacht van de lezer niet te verliezen, besluit de schrijven het fenomeen in kwestie juist onder de aandacht te brengen: zo denkt de lezer ‘ha, dat heb ik dus goed gezien’ en vergeet het verder, zodat het plot gewoon door kan gaan. Zo is het met Niemöller’s racisme, en wat dat betreft met het rassendenken van vele nieuwrechts-figuren. Juist door van tevoren aan te geven dat hun critici hen terecht racisme zullen verwijten, hopen ze het effect van die beschuldiging te vermijden. Dit is des te kwalijker omdat zo al doende het sociale stigma van racisme ook inderdaad af zal nemen, zoals het dat in Nederland al lange tijd doet, en dat leidt alleen maar tot nog meer Niemöllers. Oppassen dus.

Toch is het inzoverre juist dat uitsluitend een betoog voor racistisch uitmaken niet een adequate reactie is. Des te meer wanneer Niemöller weer eens zijn professorsstem opzet en ons een ‘wetenschappelijk’ betoog voorschotelt, ongeveer net zo serieus als de witte labjas van de ‘expert’ in de wasmiddelreclame. In dit geval betreft het het ontslag van een medewerker van het Amerikaanse Heritage-Instituut, die werd verwijderd nadat bleek dat hij, nota bene aan Harvard, gepromoveerd was op een betoog over het schrikbarend lage IQ van recente migranten naar de Verenigde Staten. Nu is het Heritage-Instituut ongeveer zo progressief als de SGP in Nederland, dus je zou verwachten dat dat Niemöller aan het denken zet. Maar dat vindt hij een pijnlijke bezigheid, dus in plaats daarvan roept hij moord en brand over de samenzwering om de waarheid over immigratie te verbergen. Als iemand gepromoveerd is aan Harvard kan het je vergeven worden dat je zou denken dat er toch wel iets in moet zitten. Laat ik dat meteen vooropstellen: dat is niet het geval. Tenslotte is Harvard ook de instelling waar de pop-economisch historicus Niall Ferguson een professoraat bezit, zodat hij recent mocht verkondigen dat Keynes ongelijk had in economisch denken omdat hij teveel achter de jongens aanzat en dus niet aan de toekomst dacht. Zo clownesk kan het daar dus zijn. Daarnaast zit er een luchtje aan de hele promotie: zo wilde niemand in de examencommissie er positief op reageren. Maar enfin, laten we het laten zoals het is; we gaan er van uit dat promoties niet zomaar worden uitgedeeld.

Wat blijft er dan staan van Niemöller’s verhaal? Allereerst, een bewering dat de tegenstanders van immigratie (zelf een wat vreemd concept) altijd met cijfers komen, en de voorstanders er nooit iets over zeggen. Dat is sowieso lariekoek. Niemöller mag graag naar Wikipedia-pagina’s verwijzen om ons te vertellen dat er ‘een literatuur’ bestaat over zijn favoriete rassenstokpaardje: laat ik dan ook een eenvoudige link gebruiken om te wijzen op ‘een literatuur’ over de economische bijdragen van immigratie. Zo pluk ik een willekeurige recente studie in The Economic Journal (Nov. 2005) over de effecten van immigratie op Britse economische statistieken zoals werkgelegenheid en lonen, het soort zaken waar de ‘linkse’ Niemöller zich graag zorgen om maakt. Netto resultaat: helemaal niets. Eenvoudigweg geen statistisch significant resultaat. Dit is natuurlijk maar één voorbeeld: er zijn honderden, zoniet duizenden studies over dit onderwerp, inclusief een aardig aantal meta-studies. Het is een van de meest bestudeerde onderwerpen in de recente arbeidseconomie. Maar daar horen we Niemöller niet over, want dat komt hem niet uit.

Verder dus. Hij schrijft ons verder, in een hautaine paragraaf in het midden, zo op de toon van ‘dat wisten wij toch allang’, het volgende: “Met andere woorden: IQ is een statistische ‘constructie’. Het meet mentale mogelijkheden, ook wel intelligentie genoemd. (Oké, dat is feitelijk niet helemaal hetzelfde.) Het gemiddelde IQ van immigranten in de VS ligt substantieel lager dan dat van de blanke bevolking in de VS. En dat verschil zal ‘verschillende generaties’ blijven.” Vervolgens, verbluffend maar waar, concludeert hij hieruit dit: “Dat is de beklemmende realiteit van deze dag, waarin het mooie land dat de VS heet, wordt overspoeld met mensen die het omlaag gaan trekken naar een armoedige, criminele chaostaat. Een beetje zoals de trotse industriestad Detroit ten onder ging toen de ‘Afro-Amerikanen’ er het bewind overnamen.”

Je moet wel lef hebben, en dat heeft iemand die met dergelijke redeneringen het tot redacteur van HP/De Tijd geschopt heeft zeker. Ten eerste, zoals ik al eerder aan dezelfde Niemöller meermalen uitgelegd heb, is IQ inderdaad een ‘statistische constructie’. Sterker nog, het is oorspronkelijk ontworpen om gradaties van mentale handicaps te meten, en enig ander legitiem doel heeft het nooit gehad. Er is geen sluitende causale noch statistische relatie tussen IQ en intelligentie. Dat weet Niemöller inmiddels ook: zijn slechte geweten is nog net eerlijk genoeg om dat, zij het tussen haakjes, toe te voegen. Maar dat maakt nogal wat uit! Zelfs al zou het zo zijn dat migranten een lager gemeten IQ hebben, totdat we weten waar dat door komt, wat dat feitelijk betekent (bijvoorbeeld een test die de verkeerde vragen stelt, of niet begrepen wordt), laat staat wat dat met intelligentie te maken heeft, kan Niemöller’s betoog over hoe immigratie ons tot armoede en chaos brengt niet werken. Dat is net zoiets als in paniek vaststellen dat er in Nederland minder kerstbomen verkocht worden – een Niemöller zou er meteen de ondergang van onze cultuur in zien, terwijl misschien mensen wel gewoon minder te besteden hebben. Het zou onze schijnsocioloog sieren als hij statistiek eens serieus zou nemen. Over de problemen met IQ-tests en de banden met intelligentiemeting heb ik al eerder geschreven: zie de link bovenaan, evenals elders ook (Engelstalig).

Veel ernstiger is de boude bewering dat de stad Detroit ten onder ging toen de Afro-Amerikanen er het bewind over namen. Hoe durft hij! Deze Afro-Amerikanen kwamen nu juist naar Detroit en andere industriesteden omdat zij in het Zuiden in segregatie en onderdrukking gehouden werden en zij een goede baan en een opleiding wilden genieten. Dat deden ze dan ook, en richtten onder andere de eerste militante zwarte industriële vakbonden op. Zolang het met de Amerikaanse auto-industrie goed ging, was Detroit een relatief succesvolle, welvarende stad met een rijk cultureel leven. Het was in Detroit dat Martin Luther King voor het eerst zijn “I Have A Dream”-speech hield, en wat een Noordelijk centrum werd in de strijd tegen de segregatie en discriminatie daar. Het zijn generaties zwarte arbeiders die samen met hun witte broeders de Fords bouwden waar ook Europeanen graag in rondreden. Deze stad zag de eerste zwarte man gekozen tot hoofd van de lokale vakbondsfederatie (AFL-CIO) om die reden, evenals trouwens de eerste zwarte chef van politie.

Dat was nog in de jaren van boom. In werkelijkheid is het precies het tegenovergestelde van Niemöller’s betoog, waar de stad aan ten onder gegaan is: de ondergang van de zware industrie overal in de VS, net als elders in de Westerse wereld, als gevolg van de globalisering en de bijkomende verschuiving van productie naar de lage lonen-landen. Net als met de industrie in lelieblank Noord-Engeland, waar geen raciale theorie aan te pas kan komen. Als Niemöller er echt iets van af zou willen weten, kan hij het in deze tijdlijn nalezen, geleverd door de universiteit in Detroit; of hij kan een bezoek brengen aan het Wright Museum of African American History, al in de jaren ’60 opgericht door een locale medisch specialist: ook een zwarte man dus. Maar dat vindt Niemöller vast eng, want in Detroit heerst tenslotte een “armoedige, criminele chaostaat [sic]”.

Niemöller bedoelt met al deze redeneringen eenvoudigweg het volgende: immigratie leidt tot vreemdelingen in het land, met vreemde kleuren en gebruiken. Dat vindt de voormalig ‘linkse’ kleinburger eng. Dus gaat hij zijn toevlucht zoeken in het selectief opdelven van quasi-wetenschappelijk materiaal om nog eens vooroorlogse rassentheorieën een nieuw leven in te blazen. Iedereen weet dat best. Maar het mag niet gezegd worden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Wetenschap

Het Einde van Frontaal Naakt

Niet lang geleden, pakweg een halfjaar ofzo, besloot ik vanuit den vreemde eens te zoeken op Twitter naar Nederlandstalige personen en blogs die een kritisch perspectief op Nederlandse zaken zouden kunnen bieden. Door het soort gelukkig toeval dat het internet zo vaak biedt, kwam ik al snel uit bij Frontaal Naakt, de blog van Peter Breedveld. Al snel werd dit de enige blog in het Nederlands die ik systematisch las, zowel door de moedige en principiële manier waarop Breedveld en kompanen de schier eindeloze horden domrechtse kleinburgerij te lijf gingen, als ook door de scherpte, de levenslustigheid, en de intellectuele belangstelling die sprak uit de artikelen. Breedveld’s stijl is vlijmscherp en polemisch, vrijwel altijd raak, onbevreesd een duidelijk standpunt uit te dragen zonder de behoefte eindeloos concessies te doen. Hij heeft bovendien het zeldzame talent grappig en effectief te zijn in polemiek zodanig dat ook als je het niet met hem eens bent, het een genoegen te lezen is – iets wat sinds het overlijden van de grote W.F. Hermans in de jaren 90 in Nederland eigenlijk niet meer voorgekomen is. Als duo met de vertaalster en televisieproducente Hassnae Bouazza, wiens interessante en nuttige boek Arabieren Kijken ik recent recenseerde op deze blog vormden zij een ongebruikelijk geluid in het hedendaagse Nederland: stijlvol, vrijheidslievend, en een rots in de branding in de strijd tegen racisme, immigrantenhaat en alle vormen van klein-rechtse uitstulpingen. Zo leerde ik de site kennen.

Het is dan ook met bijzondere ergernis en teleurstelling dat ik heb moeten vernemen dat de site er mee op houdt. De laatste druppel was een artikel van een zekere Elma Drayer in het dagblad Trouw, waarin de site en in het bijzonder Breedveld en Bouazza zelf werden afgeschilderd als rabiate anti-semieten en als symbool voor al het Nieuwe Kwaad dat overbetaalde, luie dagbladjournalisten in het internet menen waar te nemen. (Hier in Londen schrijven journalisten voordurend over hoe de toegankelijkheid en laagdrempeligheid van het internet een gevaar vormen voor de journalistiek, alle inhoud dreigen te doen verdwijnen, en zo voort; zonder uitzondering zijn deze lamentaties altijd van de hand van de minst competente, meest intellectueel luie vertegenwoordigers van de traditionele media.) De beschuldigingen waren zonder uitzondering gebaseerd op uit hun context gerukte frasen gebruikt voor polemische doeleinden, vaak zelfs expliciet sarcastisch – iets wat ook maar de minste poging onderzoek te doen onmiddelijk zou uitwijzen. Maar een van ’s lands grootste dagbladen mocht rustig een onbetaalde blogger belasteren en zwartmaken zonder dat deze ook maar een recht op repliek had, en dat nog wel onmwille van de strijd tegen racisme, terwijl Breedveld en Bouazza zich nou juist bij uitstek tegen de nieuwe salonfähigkeit van racisme in Nederland hadden gericht! Ondertussen mag Joost Niemöller, die er expliciet ‘wetenschappelijke’ rassentheorieën op na houdt, rustig stukjes schrijven voor HP/De Tijd, de NCRV, en de Volkskrant.

Het is een verbluffend maar treurig feit dat ondanks alle vijandigheid jegens migratie, alle klachten over buitenlanders en zo voort in dit land, er nergens in het Verenigd Koninkrijk zo systematisch en in zulke invloedrijke sferen openlijk racisme en volkerenhaat wordt bedreven als in Nederland het geval is. Mijn moederland begint hier aan de andere kant van het kanaal een toenemend gure reputatie te verwerven die met Griekenland en Italïe kan wedijveren op het gebied van xenofobie. Vaak vraagt men mij: “wie heeft er toch jullie land overgenomen, dat het nu zo is?”. Ik probeer altijd uit te leggen dat de ‘tolerante’ reputatie van Nederland altijd al meer schijn dan werkelijkheid is geweest, en Nederland heeft altijd uitgeblonken in moraliserende hypocrisie, maar het kan niet ontkend worden dat er nu op TV en in dagbladen dingen gezegd worden die in de jaren ’80 uitsluitend het domein van neo-fascisten waren. Als zelfs in de grote kranten openlijk racisme bedreven kan worden, en ieder mogelijk tegengeluid onmiddelijk wordt afgedaan onder het mom ‘we moeten de problemen benoemen’ of als overblijfsel van de afgedane ‘linkse kerk’, dan is een onafhankelijke site die niet bang is de strijd aan te gaan des te meer nodig.

Ik geloof niet dat echt fascisme, mocht het zover komen, met woorden alleen bestreden kan worden. Maar wat wel kan is de verbale en intellectuele strijd aangaan met alle fellow travellers van nieuw-rechts: de mensen die rassentheoriëen accepteren, die Israël steunen om de Arabieren een lesje te leren en zoiets doodernstigs als anti-semitisme bagatelliseren en misbruiken voor manipulatieve doeleinden, de mensen die natuurlijk niets hebben tegen buitenlanders ‘maar er is toch wel een probleem’, de lieden die uitentreure herhalen hoe je ‘nooit iets mag zeggen over immigratie’ wanneer er in Nederland al tien jaar over niks anders gesproken wordt en nooit positief, de nette burgers die vinden dat het antwoord op ieder politiek en economisch probleem is om ‘hard in te grijpen’ en nooit vragen wat dat doet of betekent. Dát deel van de bevolking, die wijze van denken die nu dominant is in Nederland (voor zover ik vanuit Londen kan overzien), daartegen is een krachtig tegengeluid op zijn plaats.

Ik verwijt Breedveld natuurlijk niets – Bouazza en hij hebben een waarlijke storm van bedreigingen, beledigingen, chantagepogingen, aanklachten en alle mogelijke zwartmakerij moeten ondergaan, zonder uitzondering natuurlijk precies uit diezelfde hoek die altijd en overal iedereen die iets anders zegt onmiddelijk het verwijt maakt de ‘vrijheid van meningsuiting’ niet te waarderen. Maar het kan nieuw-rechts helemaal niets schelen, de vrijheid van meningsuiting. Sterker nog, ze haten het, met een diepe haat: wat zij willen is vrijheid voor racisme, xenofobie, intimidatie en de aggressie van het onderbuikinstinct. Enige andere vrijheid proberen ze met alle middelen te kop in te drukken, daarin bijgestaan door de onvoorstelbare hypocrisie en lafheid die veel van het Nederlands medialandschap laat zien. Dat is een bijzonder zorgelijke trend, en dat ze zelfs zulke sterke schrijvers als Peter Breedveld hebben kunnen intimideren via geliefden, werk en familieleden toont eens te meer aan dat helemaal niemand veilig is voor de grijze golf die over Nederland spoelt.

Voor mij persoonlijk was Frontaal Naakt een inspiratie om ook in het Nederlands te gaan schrijven. Het einde van Frontaal Naakt is evengoed een inspiratie, een oproep om de infantiele kleinburgerlijke Latter Day-kruisvaarders niet het terrein zonder strijd af te staan. Dankzij de globale economische crisis slaan in allerlei landen de populistische tendenzen al snel om in onverhuld fascisme, zoals te zien in Griekenland, Rusland en Hongarije; het is tijd dat in Nederland progressieve mensen zich organiseren om op zijn minst te laten horen dat het ook anders kan. Verder wens ik Breedveld en Bouazza een rustiger, plezieriger tijd tegemoet, en hopelijk kunnen we meer van hen horen in een andere context of op een ander medium.

2 reacties

Opgeslagen onder Media, Politiek

Niemöller’s Genen

In reactie op het akelige incident waarbij een grensrechter is doodgeslagen door een paar jongeren na een voetbalwedstrijd ligt heel Nederland weer overhoop over een zogenaamd ‘Marokkanenprobleem’. Dat sociale en politieke problemen en hun oorzaken stelselmatig worden geanalyseerd in termen van groepsschuld is zo langzamerhand gangbaar geworden in Nederland, en valt bijna niemand meer op. Het heeft daarom vermoedelijk weinig zin om er nog eens op te wijzen dat groepsschuld niet bestaat, dat je iemand niet verantwoordelijk kunt houden voor de incidentele acties van iemand anders alleen omdat zij een bepaalde nationaliteit of afkomst gemeen hebben, en dat een ‘Marokkanenprobleem’ een volstrekte illusie is. Het is uitentreure bekend uit de criminologische statistiek dat Marokkaanse jongeren vaker dan men puur op basis van aantal zou verwachten in aanraking komen met de politie (wat dat ook moge betekenen), en een groter onderdeel vormen van de gevangenisbevolking dan proportioneel. Hetzelfde geldt voor Antilliaanse jongeren, wat dat betreft.

Overigens is dit grotendeels eenvoudigweg omdat deze zelfde groepen ook de meest achtergestelde, armste, en laagst opgeleide groepen zijn in Nederland. Zulke groepen zijn altijd en overal de relatief meest criminele van een gegeven land; dat is dus in het geheel niet specifiek een ‘Marokkanenprobleem’, gezien dat Marokkaanse immigranten in de VS bijvoorbeeld geen bijzondere probleemgroep zijn. Daarnaast is het nuttig er op te wijzen dat de voornaamste slachtoffers van de criminaliteit van arme bevolkingsgroepen andere arme mensen zijn, niet de ‘nette’ kleinburgerij in de buitenwijken die uit angstvalligheid Oom Geert erbij halen om de gemene jongens terug te sturen naar hun ‘eigen land’ waar ze alleen ooit op vakantie geweest zijn. Tenslotte nuttig er op te wijzen dat het meest recente onderzoek vaststelt dat “van de 166.599 Marokkaanse Nederlanders van 12 jaar en ouder worden 7.721 personen (4,6 procent) verdacht”; een oververtegenwoordiging, maar bepaald niet een enorm grote proportie van het bevolkingsdeel.(1)

Maar goed, dat alles is tot daar aan toe. Nog veel ernstiger wordt het beeld wanneer reactionaire types van klein-rechts zoals Joost Niemöller gaan lopen roepen dat er een genetische (c.q. raciale) oorsprong is in de vermeende massale criminaliteit van Marokkaanse Nederlanders. Dat bevolkingsgroepen als collectief worden aangesproken, dat daarmee het idee van burgerschap en de gelijkheid tussen de burgers wordt ondermijnd, dat er gemakshalve wordt genegeerd dat de demografisch sterkste oververtegenwoordiging in de misdaad de groep ‘mannen’ betreft (de overweldigende meerderheid van alle veroordeelde misdadigers) en toch niemand van een ‘mannenprobleem’ spreekt, dat hiermee alle incidenten worden verheven tot het niveau van een burgeroorlog in de geest, dat alles is nog te verwerken. Maar op het moment dat de Niemöllerianen er toe overgaan om ‘wetenschappelijk’ raciale theorieën te verspreiden, die in de gehele moderne geschiedenis de basis zijn geweest voor de grootste gruwelen van fascisme en imperialisme, slavernij en kolonialisme, en niemand dit vreemd lijkt te vinden, op dat moment is er in Nederland iets heel ernstigs gaande.

Het is daarom van het grootste belang nog eens kort uiteen te zetten hoezeer dergelijke theorieën op waanbeelden berusten. Ten eerste is het een totale illusie dat de moderne visie van de mensheid als verdeeld in rassen enige evolutionair-biologische basis heeft. Uit het onderzoek van Alan Templeton naar de genetische distributie onder 16 verschillende groepen in de gehele wereld blijkt dat de genetische verschillen tussen mensen voor 84.4% worden verklaard door individuele verschillen en slechts voor de overige 15.6% door groepsverschillen, dat wil zeggen, door verschillen voortkomend uit een bepaalde langdurige isolatie van een genetische subgroep van andere subgroepen binnen de soort. Dit is voor een zoogdier bijzonder laag.(2) Er zijn dan ook geen genetisch aanwijsbare ‘subsoorten’ van de mens te identificeren zoals dat met sommige dier- en plantensoorten zo is, en de genetische variatie die er bestaat uit zich ook in het geheel niet noodzakelijk in termen van de ‘rassen’ die nu doorgaans populair worden onderscheiden.

Daar komt nog bij dat het idee van de verdeling van de mensheid in rassen een identificeerbare geschiedenis heeft: het idee heeft zijn oorsprong in de 19e-eeuwse Europese behoefte om niet alleen de wereld wetenschappelijk te klassificeren, maar ook om dat op zodanige wijze te doen dat de inmiddels behaalde Europese voorsprong in productiviteit en technologie kon worden verklaard en verdedigd. Gedurende de gehele vroegmoderne en moderne geschiedenis heeft technologisch niveau en politieke organisatie gediend als maatstaf voor Europeanen om anderen te beoordelen, en de verdeling in hogere en lagere rassen met meer of minder potentieëel is slechts een recente ‘verharding’ van dit idee, dat in eerste instantie vooral in culturele en religieuze termen geuit werd.(3)

De huidige gangbare indeling in rassen is dan ook hoogst arbitrair en historisch: er bestaat de notie van een ‘zwart’ ras, al bestaat er vrijwel geen enkele specifieke genetische, culturele, of historische band die West-Afrikanen en Oost-Afrikanen meer bindt met elkaar dan met enige andere groep, en de categorie ‘Aziatisch’ betreft zoveel verschillende groepen dat het een evident Westers construct is. Ook kan men zich afvragen waarom we mensen indelen op deze basis, en niet bijvoorbeeld op de even erfelijke eigenschappen als haarkleur, oogkleur, lengte, en zo voorts. Bekend is ook dat in de oudheid er geen rassentheorie bestond, alleen noties over burgers versus barbaren, en in de Middeleeuwen was de indeling in termen van ‘het Christendom’ versus de heidenen; het hele idee van erfelijke incapaciteit is een product van de opkomst van Europa (en haar nederzettingen) als het hegemonische continent. Deze raciale theorieën zijn vaak systematiseringen van de vooroordelen jegens vreemde groepen, inclusief migranten, die in de oudheid al gangbaar waren, maar niet de essentialistische vorm aannamen die de rassenleer zo veel gevaarlijker nog maakt dan ‘gewone’ xenofobie al is.(4) Het is dan ook een weinig verrassende ontwikkeling dat de Niemöllerianen die herintroduceren in het Nederlands discours.

Er bestaan ook allerlei raciale theorieën over het IQ van verschillende ‘rassen’ en hun leervermogens, om de notie te ondersteunen dat bepaalde rassen eenvoudigweg intelligenter zijn dan andere en dus ‘dat het daar allemaal door komt’. Ik heb hierover eerder uitgebreid geschreven in het Engels, en zal dit niet allemaal herhalen. Kort samengevat komt het er op neer dat er ten eerste geen serieuze overeenkomst is tussen IQ-meting en intelligentie, al was het alleen maar vanwege het Flynn-effect, dat demonstreert dat IQ-scores vanzelf in de loop van de tijd toenemen en daarom voortdurend opnieuw geijkt moeten worden; ten tweede, dat in bloedtests tussen ‘zwarte’ en ‘witte’ mensen de zwarte bevolking met meer Europese voorouders en dus meer Europese genen niet beter scoorden op IQ-tests dan de zwarte bevolking met minder ‘witte’ genen; verder dat IQ-tests veelal een culturele of intellectuele capaciteit meten die niets te maken heeft met intelligentie, maar alles met in hoeverre je cultureel deel uitmaakt van het wereldbeeld en vocabulaire van de ‘witte’ meerderheid, zoals bleek uit tests waarin witte mensen het beduidend beter deden in bestaande woordkennis, maar er geen verschil was in vermogen woorden te leren; en tenslotte dat de ‘priming’ (dat wil zeggen de deelnemers de relevante categorisering zelf laten invullen, bijvoorbeeld ras, nationaliteit, of gender) van dergelijke tests op basis van ras zelf al een negatief effect heeft op de ‘prestaties’ van historisch onderdrukte groepen, om psychologische redenen.

We kunnen hier eenvoudig een Nederlands onderzoek citeren:

“In this rejoinder, we respond to comments by Lynn, Rushton, and Templer on our previous paper in which we criticized the use of national IQs in studies of evolutionary theories of race differences in intelligence. We reiterate that because of the Flynn Effect and psychometric issues, national IQs cannot be taken to reflect populations’ levels of g as fixed since the last ice age. We argue that the socio-cultural achievements of peoples of Mesopotamia and Egypt in 3000 B.C. stand in stark contrast to the current low level of national IQ of peoples of Iraq and Egypt and that these ancient achievements appear to contradict evolutionary accounts of differences in national IQ. We argue that race differences in brain size, even if these were entirely of genetic origin, leave unexplained 91–95% of the black-white IQ gap. We highlight additional problems with hypotheses raised by Rushton and Templer. National IQs cannot be viewed solely in evolutionary terms but should be considered in light of global differences in socio-economic development, the causes of which are unknown.”

(5)

Kortom, de genetische theorieën van Niemöller zijn niets anders dan een wanhopige poging om vooroordelen en kleinburgerlijke angst voor het vreemde aan te kleden in wetenschappelijke terminologie. Dat zal niet lukken. Het is te hopen voor de familie van Niemöller en voor Nederlands klein-rechts dat racisme en xenofobie zelf ook niet erfelijk zijn, anders ziet het er voor mijn geboorteland in de toekomst niet goed uit. Vooralsnog, echter, blijft het zogenaamde ‘Marokkanenprobleem’ een kwestie van socio-economische factoren en socializering van bepaalde clusters individuen, niet een kwestie van rassen of de genen van hele bevolkingsdelen. En dat is maar goed ook, want ik durf niet veel goeds te voorspellen over de erfelijke intelligentie en aanleg voor misdaad van de Niemöllerianen als het anders zou zijn.

1) http://www.wegwijzerjeugdenveiligheid.nl/doc/overlast_mn_jongeren/onderzoek/marokkaanse-nederlanders-2012.pdf
2) Alan Templeton, “The Genetic and Evolutionary Significance of Human Races”, in: Jefferson Fish (ed.), Race and Intelligence: Separating Science from Myth (Mahwah, NJ 2002), p. 36.
3) Zie bv. Michael Adas, Machines as the Measure of Men: Science, Technology, and Ideas of Western Dominance (Ithaca, NY 1990).
4) Zie bv. Benjamin Isaac, The Invention of Racism in Classical Antiquity (Princeton, NJ 2006); Erich Gruen, Rethinking the Other in Antiquity (Princeton, NJ 2010).
5) http://wicherts.socsci.uva.nl/wichertsPAIDrejoinder.pdf

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Wetenschap