De Wilderssticker

Het is duidelijk dat Geert Wilders met zijn recente stickerstunt probeert aandacht op zijn partij te vestigen. Men zou dus kunnen zeggen: laat hem rustig stickers plakken, zoals het iemand met de politieke serieusheid van een basisscholier betaamt, en negeer het verder. Maar de retoriek van Wilders roept altijd sterke reacties op van uiteenlopende soort, ook onder zijn tegenstanders, en het is de moeite waard tenminste daar enige aandacht aan te besteden. Al was het maar omdat voor allerlei progressieve opponenten van de PVV er meteen weer sprake is van een verbod. Nauwelijks is het verbod op godslastering afgeschaft, of er wordt geroepen dat een dergelijke belediging van de Islam niet kan, en zo voort.

Ik denk niet dat het veel zin heeft om een dergelijke politiek na te streven. De traditionele liberale argumenten voor de vrijheid van meningsuiting, zoals bijvoorbeeld die door John Stuart Mill uiteengezet in On Liberty, zijn hier juist bij uitstek van toepassing. Vrijheid is juist de vrijheid van minderheden, of van het zeggen van dingen die anderen niet willen horen; het is niet wenselijk dat de overheid gaat bepalen waar de grens tussen toegestane en niet toegestane meningen ligt; en men kan zich altijd toevallig aan de verkeerde kant van de streep vinden in een gegeven debat. Een verbod op te radicale meningen of uitingen betekent in feite een politiek monopolie van de meningen en partijen van het politieke centrum, hetgeen noch democratisch noch inhoudelijk gerechtvaardigd is.

In Nederland wordt dan vaak gezegd dat ‘de onafhankelijke rechter’ maar moet bepalen of een bepaalde uitspraak geoorloofd is of niet, maar ook dat is niet wenselijk – dat verschuift dezelfde censuurmacht naar de rechterlijke macht, maar lost het probleem niet op. Daarbij is ook strategisch duidelijk dat het niet de beste manier is om de hatelijke retoriek van Wilders te bestrijden. Het proces tegen Wilders deed hem en zijn partij alleen maar goed, zowel in termen van electoraal gewin als van media-aandacht. Ik ben er van overtuigd dat als Wilders veroordeeld was, dit hem en zijn aanhang alleen nog maar verder gesterkt zou hebben.

Er zijn allerlei dingen die mensen zeggen en doen die onwenselijk zijn, maar die niet met politie-ingrijpen beantwoord moeten worden. Hoewel Nederlanders graag op de Amerikanen neerkijken, is – tenminste sinds de jurisprudentie van de jaren ’60 – de vrijheid van meningsuiting daar veiliger dan hier. (Dat geldt natuurlijk niet voor klokkenluiders zoals Snowden en Manning, noch voor hoe effectief meningsuiting kan zijn in een dergelijk sociaal-economisch ongelijk land, maar dat zijn zaken die daar analytisch van losstaan.) De vrees dat vrije meningsuiting tot pogromgedrag zou leiden is niet werkelijkheid geworden. Hoewel de VS een veel gewelddadiger land is dan Nederland, is er geen duidelijke connectie tussen de jurisprudentie voor vrije expressie (in de zin van overheidsneutraliteit jegens de inhoud van uitspraken) en lynchgedrag; het laatste is duidelijk sindsdien afgenomen. In deze context is het nuttig op te merken dat de eerste verboden op het beledigen van minderheden in Nederland in de jaren ’30 werden ingevoerd om het NSB-fascisme tegen te gaan, iets wat verder zonder merkbaar effect bleef. De blasfemiewet diende juist om links de mond te snoeren.

De burgerrechtenbeweging en de vrijheid van meningsuiting gingen hierin juist hand in hand: zeker in landen die neigen tot een aggressief rechtse tendens, zoals de VS en in toenemende mate Nederland nu, is het juist de progressieve vleugel die een goed beschermde vrijheid van meningsuiting nodig heeft. Dat betekent dus ook de vrijheid bv. tegen Wilders of GeenStijl in te gaan zonder bedreigd of geïntimideerd te worden, ‘journalistiek’ of anderszins.

Dit alles wil echter niet zeggen dat er niet duidelijk sprake is van een campagne van haat en intimidatie jegens immigranten en moslims in Nederland, en dat Wilders met zijn plakwerk daar niet aan bijdraagt. Hierbij creëert Wilders op listige wijze een probleem voor progressief maar atheïstisch gezind Nederland, omdat hij zijn pijlen direct richt op de Islam, niet op moslims als zodanig. Dit onderscheid is zeker voor moslims zelf niet zo makkelijk te maken, en Wilders is bovendien zelf nooit, maar dan ook nooit, consistent is in zijn verhaal – of hij nu tegen de islam is, tegen moslims, tegen immigratie, tegen criminaliteit, of dat het hem om cultuur gaat. Maar bij velen op links, inclusief mijzelf, is het moeilijk om de Islam als zodanig te verdedigen.

Er leeft een breed gedeeld gevoel onder Nederlanders dat de strijd tegen religieuze dominantie, politiek en privaat, een belangrijk onderdeel was van de emancipatiebewegingen sinds de oorlog, en zeker politiek links heeft traditioneel daarom met goede reden een achterdocht jegens het verdedigen van religies. Men hoeft niet zover terug te gaan om de werkelijke censurerende effecten van blasfemiewetten in Nederland te vinden. Het is echter des te meer belangrijk om een gediscrimineerde en zwartgemaakte minderheid zoals moslims in Nederland te verdedigen. Het is dan ook belangrijk er op te wijzen dat Wilders met zijn manipulatieve retoriek zelf dat onderscheid niet duidelijk kan maken – dan hoeven wij dat ook niet te doen.

Hoe moeten we dan reageren? Eigenlijk is het heel eenvoudig. We hoeven de Islam niet te verdedigen, behalve desnoods door er op te wijzen dat ‘de Islam’ buiten de theologie niet bestaat en dus ook niet onderwerp van politiek kan zijn, en dat bovendien Wilders en de zijnen er historisch en theologisch de grootst mogelijke onzin over verkondigen. Maar belangrijk is dat we de rechten – ik spreek eigenlijk liever van vrijheden – van de burgers van Nederland verdedigen. Daaronder vallen de gelijke rechten op vrijheid van meningsuiting, dus van Wilders maar ook van zijn opponenten; de vrijheid om je te kleden zoals je dat zelf wilt, van (vrijwel) naakt tot burqa, naar je zelf zin hebt; de vrijheid wel of niet een religie te belijden; de vrijheid om van de staat geen inhoudelijke oordelen over religie te hoeven verdragen, zodat de staat religie niet steunt en ook niet ‘Judeo-Christelijk’ of wat dan ook is; en de vrijheid om van het ene land naar het andere te reizen en te migreren, naar je zelf nodig vindt bij het nastreven van je eigen dromen en geluk. Dit zijn de verworvenheden en beloften van de Franse Revolutie: een bolwerk van vrijheden voor alle burgers.

Een brede coalitie ter verdediging van deze vrijheden zou tussen liberaal, centrum en links Nederland mogelijk moeten zijn, zodat nog geen tien Wildersen er een bres in kunnen slaan. Zolang het in Nederland over tegenstellingen tussen allochtoon en autochtoon, moslim en atheïst, crimineel en nette burger gaat, is het mogelijk voor Wilders en andere demagogen om de verlichtingsmeerderheid tegen elkaar uit te spelen. De tijd vereist een actieve campagne van deze meerderheid om juist de gelijke vrijheden van alle burgers voorop te stellen, tegen de immigrantenhaat en het moslimjagen in. Dit geeft bovendien een positieve visie en verschuift daarmee de voortdurende defensieve houding van (centrum-)links Nederland naar die van een actief tegenoffensief.

Dit vereist natuurlijk niet dat zaken zoals de economie genegeerd moeten worden – zoals de werkloosheid onder ‘allochtone’ jongeren – maar enkel dat hier een enorme hoop terrein te winnen is dat rechts Nederland hun vocabulaire ontneemt (hoezo Partij van de Vrijheid, als je de Koran wilt verbieden?) en in het defensief dwingt. Dan kan Wilders plaatjes plakken zoveel als hij zin heeft – het kan niets uitrichten. Alleen zo kan op de korte termijn het tij van intimidatie en zondebokkerij gekeerd worden.

2 reacties

Opgeslagen onder Politiek, Religie

Wat Wijnberg Niet Ziet

Het is ernstig gesteld met het kritisch discours in Nederland als Joost Niemöller zowaar een goed punt heeft. Rob Wijnberg, correspondent Media, Politiek & Filosofie van De Correspondent (dat is kennelijk geen pleonasme), schreef een stuk naar aanleiding van de Zwarte Piet-discussie waarin hij zowel voor- als tegenstanders van de huidige Pietvorm aan de kaak stelt. In dit artikel betoogt Wijnberg dat hij een ‘raciaal skepticus’ is. Hiermee bedoelt hij dat rassendenken een vorm van essentialisme is: een manier van denken die uitgaat van onveranderbare genetische verschillen tussen mensen en die gebruikt als verklaring voor gedragsverschillen of het vaststellen van een morele hiërarchie. Zulk denken, zegt Wijnberg, is racistisch en wijst hij af. In plaats daarvan moeten we begrijpen dat mensen slechts gradueel van elkaar verschillen, niet in essentie, en dat daarom categorieën zoals ras geen betekenis hebben. “Even heel simpel gezegd: er zijn geen ‘blanken’ en ‘zwarten’, er zijn alleen tinten. Vandaar ook dat de raciaal scepticus het concept ‘ras’ typeert als een ‘culturele misvatting’”.

Vervolgens beticht hij Quinsy Gario, die de discussie over Zwarte Piet zou hebben aangezwengeld, van dezelfde fout: door Zwarte Piet racisme te noemen denkt hij in rassen als iets wat echt bestaat, in plaats van de categorie te herkennen als een illusie. Aan de ene kant, betoogt Wijnberg, wil Gario dat we ras niet zien, zodat racisme onmogelijk wordt; aan de andere kant vindt hij Zwarte Piet racisme en vindt hij het verkeerd dat witte Nederlanders dat niet zien. We moesten toch juist het niet zien? Zo is de redenering van de filosoof.

Maar als dit een vorm van filosofie is, dan eerder een soort sofisme. Wijnberg’s redenering is een heel gangbare reactie van de ‘verlichte’ liberaal, wiens uitgangspunt de neutraliteit van definities is. In de Verenigde Staten is dit ook stelselmatig de reactie als witte mensen worden aangesproken op de collectieve structuur van, en dus collectieve verantwoordelijkheid voor, racistisch discours. “Ik weet daar niets van, ik zie ras niet eens! Ik geloof alleen in mensen!” en zo voorts.

Maar zo makkelijk gaat dat niet. Wijnberg heeft natuurlijk gelijk dat rassen niet ‘echt’ bestaan, in de zin dat ze een sociale en politieke constructie zijn die een bepaalde reeks arbitraire eigenschappen heeft gemaakt tot een ‘ras’, en deze ‘rassen’ weer heeft onderverdeeld in een bepaalde hiërarchie. Maar Wijnberg maakt vervolgens de klassieke filosofische fout om te denken dat het feit dat iets sociaal en historisch geconstrueerd is, dus een aanwijsbare politieke oorsprong en context heeft, ook betekent dat het daarmee niet ‘echt’ een effect heeft. Dit is pertinent onjuist. Dat ras niet een objectief fundament heeft in de wetenschap, kortom dat het een culturele en politieke conventie is, betekent niet dat je het eenvoudigweg kunt wegdenken.

Op het moment dat een categorie zoals ras – en hetzelfde kan gezegd worden van gender, sexualiteit, en allerlei andere identiteiten – hiërarchisch geordend wordt, en hier politieke en sociale consequenties aan verbonden zijn, is het even ‘echt’ als wat dan ook. Het is wat Marx een ‘reële abstractie’ noemt: iets wat puur conceptueel bestaat, maar door de functie in de maatschappij een werkelijk effect uitoefent. Het doet er niet toe of de wetenschap zegt dat wit en zwart niet bestaan, als je in de maatschappij wordt aangemerkt als wit of zwart, en als die aanmerking vervolgens bijzonder tastbare gevolgen heeft voor je kans op een baan of opleiding, hoe mensen je bejegenen, waar je woont en hoe je spreekt, en zo voorts. Sociale feiten zijn geen biologische feiten, en dat is belangrijk te onderscheiden. Maar evenmin is het eenvoudigweg een kwestie van ‘niet zien’. Als je ras niet ziet, betekent dat niet dat het daarmee verdwijnt, maar alleen maar dat je je ogen sluit voor de gevolgen ervan.

Om ras werkelijk te doen verdwijnen is het nodig dat de sociale en politieke basis voor de hiërarchische verdeling verdwijnt. Racisme bestrijden waar het zich direct voordoet, zoals Gario probeert met zijn campagne over Zwarte Piet, is dus juist een stap in de richting van het ‘niet zien’ van ras. Dat is niet, zoals Wijnberg suggereert, slechts een epistemologisch probleem – een kwestie van niet langer in die termen denken – maar een sociaal probleem. Wittgenstein wees er op dat er niet zoiets kan bestaan als een privétaal. Alle concepten en alle sociale constructies worden collectief gedeeld door opvoeding in een gezamenlijk taal- en begrippenkader. Het is daarom niet met het individu, maar met de structuur van de maatschappij waarin mensen hun taal en concepten leren dat een idee als ‘ras’ staat of valt. Wijnberg, als filosofisch geschoold schrijver, zou dat moeten weten.

Als Niemöller dus Wijnberg bekritiseert , heeft hij zowaar een punt. Niemöller zegt dat hij, in tegenstelling tot Wijnberg, tenminste Gario de waardigheid wil gunnen hem te erkennen als zwart, en niet vanuit de positie van een witte man wil doen alsof hij dat ‘niet ziet’. Als de maatschappij waarin hij opgroeit hem vertelt dat hij zwart is, en als wat met ‘zwart’ bedoeld wordt onder andere de lading ‘Quinsy Gario’ dekt, dan is Gario zwart in onze taal – dat is wat Wittgenstein duidelijk maakt. Dat Niemöller daar vervolgens zijn gewoonlijke racistische spiel aan toevoegt over de biologische realiteit van rassen en het belang daarvan voor de hedendaagse politiek, doet er niets aan af.

Hetzelfde geldt ook voor hoe Wijnberg ras als culturele misvatting duidt. Inderdaad is ras niet ‘echt’ in de zin van ‘transhistorisch en wetenschappelijk meetbaar’. Maar dat is niet het enige wat er bedoeld wordt met het begrip ‘echt’ als het om een categorie als ‘ras’ gaat. Ras is wel ‘echt’ in de andere zin van dat woord: namelijk dat het een oorzaak is met tastbare gevolgen. Wijnberg’s redenering is dus in twee aspecten gebaseerd op een verkeerd begrip van taal en haar concepten.

Het is kenmerkend, denk ik, voor het immens lage theoretische niveau van discussie in Nederland dat redeneringen zoals die van Wijnberg zo gangbaar zijn. Het is natuurlijk een makkelijke manier voor welwillende individuen om zich te ontdoen van wat anderszins een netelig moreel en politiek probleem zou kunnen zijn. Maar ik wil niet beweren dat Wijnberg niet meent wat hij zegt. Als we het met meer goede wil lezen, dan kun je niet anders dan concluderen dat de fout ontstaat doordat Wijnberg eenvoudigweg niets afweet van wat ‘kritische theorie’ genoemd wordt, in ieder geval niet op dit gebied.

De relatie tussen identiteit, de sociale constructie van politieke en sociologische categorieën, en de effecten van discours is nu al zo’n 30-40 jaar een centraal onderwerp in een uitgebreide literatuur van ‘kritische theorie’. Veel hiervan is enorm abstract en weinig toegankelijk, des te meer vanwege het zware jargon van cultural studies. Maar het zou Wijnberg en de vele discussianten sieren als ze hier wat meer over lazen, voordat ze eenvoudige fouten maken – zoals het verschil tussen ‘culturele misvatting’ en ‘niet echt’.

3 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Politiek, Theorie

Wat is er mis met Nederlands links?

Politiek links in Nederland staat er al jaren niet goed voor. Onmachtig de politiek van bezuinigingen een halt toe te roepen, niet in staat de immer wassende vloed van xenofobie, racisme, en kleinburgerlijke blaaskakerij te keren, valt het aan verwarring ten prooi. Het is niet alleen de steeds verder ontwikkelende hang naar rechts van de PvdA en GroenLinks – niettegenstaande het opgaan van de CPN in die partij – die hier debet aan is, zoals vaak wordt gesuggereerd, noch is het een kwestie van een ongelukkig uitvallende tijdgeest. Misschien wel meer dan elders in West-Europa zit de rot er in Nederland al veel langer in. Dit drukt niet alleen uit in het onvermogen van de SP – als laatste linkse massapartij – om vorm te geven aan de ‘ware sociaal-democratie’ op een manier die blijvende slagkracht oplevert, maar minstens zozeer in de futiele en oppervlakkige commentaren van de intellectuelen en journalisten die in Nederland nog voor links doorgaan.

Links kent haar eigen geschiedenis niet, weet niet wat ze is of waar ze heengaat, en rent als een kip zonder kop achter alles aan, zonder onderscheid of inzicht: als de overwinning van nieuwrechts niet tot staan kan worden gebracht door een tegenvuur, dan produceert het maar eindeloos veel rook. Het gevolg is dat meer en meer de partijen en figuren die vroeger met een links geluid geïdentificeerd werden ofwel eindeloze concessies aan de nieuwrechtse tendenzen doen, totdat zij niet meer van hen te onderscheiden zijn; ofwel zich terugtrekken in een zelfvoldane isolatie en zich tot overwinnaar verklaren voordat de strijd ook maar aangegaan is, daarbij het slagveld aan de tegenstander latend. Lees verder

8 reacties

Opgeslagen onder Politiek, Theorie

Niemöller Redux

Burger Niemöller, met wie ik het al eens eerder aan de stok had, is zich weer eens te buiten gegaan aan een racistische tirade met het oogmerk te onderstrepen hoe kwalijk de zogenaamde massa-immigratie voor Nederland wel niet is. Hij lijkt zich dit keer bijzonder bewust te zijn van de rassentheoretische grondslag van zijn opmerkingen, want het hele artikel probeert van meet af aan de beschulding van racisme af te wimpelen door er juist op te wijzen, zodat het een overbodige en reeds voorziene kritiek zal lijken. In de literatuur over genre-fictie heet zoiets een lampenkap ophangen: men neemt iets wat binnen het verhaal storend of weinig plausibel is – meestal omdat de schrijver geen andere oplossing kan vinden – maar om de aandacht van de lezer niet te verliezen, besluit de schrijven het fenomeen in kwestie juist onder de aandacht te brengen: zo denkt de lezer ‘ha, dat heb ik dus goed gezien’ en vergeet het verder, zodat het plot gewoon door kan gaan. Zo is het met Niemöller’s racisme, en wat dat betreft met het rassendenken van vele nieuwrechts-figuren. Juist door van tevoren aan te geven dat hun critici hen terecht racisme zullen verwijten, hopen ze het effect van die beschuldiging te vermijden. Dit is des te kwalijker omdat zo al doende het sociale stigma van racisme ook inderdaad af zal nemen, zoals het dat in Nederland al lange tijd doet, en dat leidt alleen maar tot nog meer Niemöllers. Oppassen dus.

Toch is het inzoverre juist dat uitsluitend een betoog voor racistisch uitmaken niet een adequate reactie is. Des te meer wanneer Niemöller weer eens zijn professorsstem opzet en ons een ‘wetenschappelijk’ betoog voorschotelt, ongeveer net zo serieus als de witte labjas van de ‘expert’ in de wasmiddelreclame. In dit geval betreft het het ontslag van een medewerker van het Amerikaanse Heritage-Instituut, die werd verwijderd nadat bleek dat hij, nota bene aan Harvard, gepromoveerd was op een betoog over het schrikbarend lage IQ van recente migranten naar de Verenigde Staten. Nu is het Heritage-Instituut ongeveer zo progressief als de SGP in Nederland, dus je zou verwachten dat dat Niemöller aan het denken zet. Maar dat vindt hij een pijnlijke bezigheid, dus in plaats daarvan roept hij moord en brand over de samenzwering om de waarheid over immigratie te verbergen. Als iemand gepromoveerd is aan Harvard kan het je vergeven worden dat je zou denken dat er toch wel iets in moet zitten. Laat ik dat meteen vooropstellen: dat is niet het geval. Tenslotte is Harvard ook de instelling waar de pop-economisch historicus Niall Ferguson een professoraat bezit, zodat hij recent mocht verkondigen dat Keynes ongelijk had in economisch denken omdat hij teveel achter de jongens aanzat en dus niet aan de toekomst dacht. Zo clownesk kan het daar dus zijn. Daarnaast zit er een luchtje aan de hele promotie: zo wilde niemand in de examencommissie er positief op reageren. Maar enfin, laten we het laten zoals het is; we gaan er van uit dat promoties niet zomaar worden uitgedeeld.

Wat blijft er dan staan van Niemöller’s verhaal? Allereerst, een bewering dat de tegenstanders van immigratie (zelf een wat vreemd concept) altijd met cijfers komen, en de voorstanders er nooit iets over zeggen. Dat is sowieso lariekoek. Niemöller mag graag naar Wikipedia-pagina’s verwijzen om ons te vertellen dat er ‘een literatuur’ bestaat over zijn favoriete rassenstokpaardje: laat ik dan ook een eenvoudige link gebruiken om te wijzen op ‘een literatuur’ over de economische bijdragen van immigratie. Zo pluk ik een willekeurige recente studie in The Economic Journal (Nov. 2005) over de effecten van immigratie op Britse economische statistieken zoals werkgelegenheid en lonen, het soort zaken waar de ‘linkse’ Niemöller zich graag zorgen om maakt. Netto resultaat: helemaal niets. Eenvoudigweg geen statistisch significant resultaat. Dit is natuurlijk maar één voorbeeld: er zijn honderden, zoniet duizenden studies over dit onderwerp, inclusief een aardig aantal meta-studies. Het is een van de meest bestudeerde onderwerpen in de recente arbeidseconomie. Maar daar horen we Niemöller niet over, want dat komt hem niet uit.

Verder dus. Hij schrijft ons verder, in een hautaine paragraaf in het midden, zo op de toon van ‘dat wisten wij toch allang’, het volgende: “Met andere woorden: IQ is een statistische ‘constructie’. Het meet mentale mogelijkheden, ook wel intelligentie genoemd. (Oké, dat is feitelijk niet helemaal hetzelfde.) Het gemiddelde IQ van immigranten in de VS ligt substantieel lager dan dat van de blanke bevolking in de VS. En dat verschil zal ‘verschillende generaties’ blijven.” Vervolgens, verbluffend maar waar, concludeert hij hieruit dit: “Dat is de beklemmende realiteit van deze dag, waarin het mooie land dat de VS heet, wordt overspoeld met mensen die het omlaag gaan trekken naar een armoedige, criminele chaostaat. Een beetje zoals de trotse industriestad Detroit ten onder ging toen de ‘Afro-Amerikanen’ er het bewind overnamen.”

Je moet wel lef hebben, en dat heeft iemand die met dergelijke redeneringen het tot redacteur van HP/De Tijd geschopt heeft zeker. Ten eerste, zoals ik al eerder aan dezelfde Niemöller meermalen uitgelegd heb, is IQ inderdaad een ‘statistische constructie’. Sterker nog, het is oorspronkelijk ontworpen om gradaties van mentale handicaps te meten, en enig ander legitiem doel heeft het nooit gehad. Er is geen sluitende causale noch statistische relatie tussen IQ en intelligentie. Dat weet Niemöller inmiddels ook: zijn slechte geweten is nog net eerlijk genoeg om dat, zij het tussen haakjes, toe te voegen. Maar dat maakt nogal wat uit! Zelfs al zou het zo zijn dat migranten een lager gemeten IQ hebben, totdat we weten waar dat door komt, wat dat feitelijk betekent (bijvoorbeeld een test die de verkeerde vragen stelt, of niet begrepen wordt), laat staat wat dat met intelligentie te maken heeft, kan Niemöller’s betoog over hoe immigratie ons tot armoede en chaos brengt niet werken. Dat is net zoiets als in paniek vaststellen dat er in Nederland minder kerstbomen verkocht worden – een Niemöller zou er meteen de ondergang van onze cultuur in zien, terwijl misschien mensen wel gewoon minder te besteden hebben. Het zou onze schijnsocioloog sieren als hij statistiek eens serieus zou nemen. Over de problemen met IQ-tests en de banden met intelligentiemeting heb ik al eerder geschreven: zie de link bovenaan, evenals elders ook (Engelstalig).

Veel ernstiger is de boude bewering dat de stad Detroit ten onder ging toen de Afro-Amerikanen er het bewind over namen. Hoe durft hij! Deze Afro-Amerikanen kwamen nu juist naar Detroit en andere industriesteden omdat zij in het Zuiden in segregatie en onderdrukking gehouden werden en zij een goede baan en een opleiding wilden genieten. Dat deden ze dan ook, en richtten onder andere de eerste militante zwarte industriële vakbonden op. Zolang het met de Amerikaanse auto-industrie goed ging, was Detroit een relatief succesvolle, welvarende stad met een rijk cultureel leven. Het was in Detroit dat Martin Luther King voor het eerst zijn “I Have A Dream”-speech hield, en wat een Noordelijk centrum werd in de strijd tegen de segregatie en discriminatie daar. Het zijn generaties zwarte arbeiders die samen met hun witte broeders de Fords bouwden waar ook Europeanen graag in rondreden. Deze stad zag de eerste zwarte man gekozen tot hoofd van de lokale vakbondsfederatie (AFL-CIO) om die reden, evenals trouwens de eerste zwarte chef van politie.

Dat was nog in de jaren van boom. In werkelijkheid is het precies het tegenovergestelde van Niemöller’s betoog, waar de stad aan ten onder gegaan is: de ondergang van de zware industrie overal in de VS, net als elders in de Westerse wereld, als gevolg van de globalisering en de bijkomende verschuiving van productie naar de lage lonen-landen. Net als met de industrie in lelieblank Noord-Engeland, waar geen raciale theorie aan te pas kan komen. Als Niemöller er echt iets van af zou willen weten, kan hij het in deze tijdlijn nalezen, geleverd door de universiteit in Detroit; of hij kan een bezoek brengen aan het Wright Museum of African American History, al in de jaren ’60 opgericht door een locale medisch specialist: ook een zwarte man dus. Maar dat vindt Niemöller vast eng, want in Detroit heerst tenslotte een “armoedige, criminele chaostaat [sic]”.

Niemöller bedoelt met al deze redeneringen eenvoudigweg het volgende: immigratie leidt tot vreemdelingen in het land, met vreemde kleuren en gebruiken. Dat vindt de voormalig ‘linkse’ kleinburger eng. Dus gaat hij zijn toevlucht zoeken in het selectief opdelven van quasi-wetenschappelijk materiaal om nog eens vooroorlogse rassentheorieën een nieuw leven in te blazen. Iedereen weet dat best. Maar het mag niet gezegd worden.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Politiek, Wetenschap

Marokkanendebat

Tot de grote schande van Nederland heeft ons Parlement zich verlaagd tot het houden van een zogenaamd ‘Marokkanendebat’. De pointe van dit debat wordt geacht te zijn een bespreking van het ‘Marokkanenprobleem’, waarmee vermoedelijk bedoeld wordt de proportioneel hogere bijdrage van jonge Marokkanen aan de misdaad in Nederland, en misschien ook problemen met de integratie. Hoewel verschillende Marokkaanse organisaties het terecht hebben afgedaan als een stunt van de PVV en de overige partijen verzochten niet deel te nemen, heeft, voor zover ik weet, alleen GroenLinks er gehoor aan gegeven. Zoiets bespottelijks en uitgesproken stigmatiserends als een ‘Marokkanendebat’ creëert ook inderdaad een strategisch probleem. Stel een partij zou een ‘Jodendebat’ voorstellen: zou het beter zijn niet te komen opdagen, en daarmee de zaak niet te legitimeren maar het risico te lopen dat de racistische partij onbeperkt zijn gang kan gaan, of is het beter de polemiek aan te gaan met het gevolg dat het precies als probleem de realiteit krijgt – tenminste in de publieke opinie en in de media – die het niet verdient? Mijn neiging is tot het eerste, maar beide standpunten lijken me verdedigbaar.

Wat niet verdedigbaar is is de grondslag van het zogenaamde debat zelf: het idee van een Marokkanenprobleem. We kunnen het als een veeg teken beschouwen van de salonfähigkeit van racisme in het hedendaagse Nederland dat het praten over hele bevolkingsgroepen als een ‘probleem’ vanzelfsprekend wordt gevonden. Sterker nog, iedere kritiek op het concept van het ‘Marokkanenprobleem’ zelf wordt onmiddelijk beantwoord door duizenden loeiende kleinburgers als een poging de ondergang van Nederland te verdoezelen of ‘de zaken niet te benoemen’. Dit is van meet af aan totale flauwekul: de problemen worden zo uitentreure ‘benoemd’ in de media, het Parlement, en overal in het nieuws dat ze veel groter lijken dan ze werkelijk zijn. Al jaren en jaren doen we niets anders in Nederland dan de zogenaamde problemen met de migranten, veelal in Nederland geboren staatsburgers, te ‘benoemen’. Dit heeft ons vooralsnog nul komma nul opgeleverd: niets op het gebied van misdaadbestrijding, niets op het gebied van integratie, niets op het gebied van sociaaal-economische ontwikkelingen. Helemaal niets behalve een enorme ontwikkeling van racistische en extreem-rechtse blaaskakerij die nu zo genormaliseerd is dat mensen raar opkijken als je níet in collectieve schuld blijkt te geloven.

Maar laten we dan inderdaad de zaken eens benoemen, als men dat zo graag wil. Als wij bijvoorbeeld naar misdaad kijken en de betreffende statistieken er op na slaan, zie je al snel wat het werkelijke probleem is: een mannenprobleem. Volgens CBS StatLine waren er in Nederland in 2011 375.260 verdachten van misdrijven, waarvan 314.090 mannen waren: een percentage van 83.7%. En dat terwijl mannen slechts de helft van de bevolking uitmaken (en vermoedelijk zelfs iets minder dan de helft). De vrouwelijke bijdrage is dan dus 16.3%. Vergelijk dat met de oververtegenwoordiging van allochtonen. Onze eigen Bert Brussen schrijft ons (met vreemd genoeg een iets ander totaal aan verdachten) het volgende: van een hier genoemd totaal van 261.370 verdachten waren er 137.150 autochtoon (52.5%) en 119.740 allochtoon (45.8%). (Het restant heeft geen geregistreerde afkomst.)

Dat wil zeggen dat er per 10.000 autochtonen 115 verdachten zijn (1.15%) en per 10.000 allochtonen zijn er 305 verdachten (3.05%). Je ziet dus dat de allochtonen naar verhouding ongeveer 2.65 keer zoveel misdaden plegen als de autochtonen. Maar je ziet ook dat mannen naar verhouding 5.13 maal zoveel misdaden plegen als vrouwen! Hoezo dus geen mannendebat? Daar kunnen we nog aan toevoegen dat mannen verantwoordelijk zijn voor nog eens een groter percentage geweldsmisdrijven; dat mannen meer oorlog en geweld veroorzaken en daar vaker aan deelnemen, dat mannen er al duizenden jaren een gevaarlijke, totalitaire, onderdrukkende ideologie op na houden die niet rust totdat iedereen bedwongen is (patriarchaat)… Kortom, hoog tijd dat we deze gevaarlijke bevolkingsgroep eens serieus onder de loep nemen. Je wilt toch niet de werkelijkheid ontkennen? Je moet de problemen toch benoemen? Of niet soms?

Het moge duidelijk zijn uit dit voorbeeld hoe volstrekt kunstmatig het gebruik van statistieken is om een bepaalde bevolkingsgroep zwart te maken. Ik wil niet werkelijk verdedigen dat er een mannenprobleem is (in ieder geval niet in deze termen), maar laten we dan ook inzien dat het opportunistisch gebruik van misdaadcijfers precies dat is, een politiek instrument, niet een kwestie van een objectief ‘probleem’ dat we moeten ‘benoemen’. Zoals Angela Ettema terecht heeft opgemerkt, is er in Nederland veeleer sprake van een racismeprobleem. In plaats van zinloze vragen te stellen als ‘waarom zijn Marokkanen een probleem?’, moeten we ons afvragen waarom zoveel van ons van hele bevolkingsgroepen een probleem willen maken. Waar komt deze angst vandaan? Er heerst in Nederland duidelijk een sfeer van angst en wederzijdse intimidatie, terwijl dezelfde zo te pas en te onpas gebruikte misdaadcijfers daar geen aanleiding toe geven – de misdaad is historisch laag en daalt al jaren. Dat met de huidige crisis, de meest ernstige sinds de Grote Depressie, er nog sprake kan zijn van tijdverspilling over een ‘Marokkanenprobleem’ is een indicatie van een diepgewortelde angst over de Nederlandse positie in de wereld.

Mijn suggestie is deze: de Marokkaan of de allochtoon is slechts een spookbeeld, een reflectie van de angst van veel Nederlanders. Angst over de afnemende positie van Europa in de wereld en daarmee van Nederland, op politiek en op economisch vlak. Angst over de enorme competitie tussen mensen die jaren van neoliberaal beleid geschapen heeft, en de moeite die veel mensen hebben om daar mee om te gaan, zowel sociaal als economisch. Dit was ook vóór de huidige crisis al merkbaar. Angst ook voor een gevoel van verlies: Nederland is zo lang zo relatief welvarend en vredig geweest, dat verandering alleen maar achteruitgang kan betekenen. Vandaar dat de PVV effectief een hetze tegen migranten combineert met een sterk nostalgisch verhaal, een symboliek van fietsen, kanalen en windmolens, in de sfeer van ‘toen het leven nog gelukkig was’.

Nederland heeft lange tijd in geopolitiek opzicht zelfingenomen in een cocon geleefd, tevreden slapend en alleen zo nu en dan de kop uit stekend om anderen de les te lezen over hun gebrek aan morele verantwoordelijkheid en ‘tolerantie’. Maar nu blijkt dat de wereld echt bestaat, dat migratie en globale economische veranderingen ook Nederland betreffen, en dat er niets zeker is aan onze positie. Dat is het gevoel dat Nederlanders werkelijk vrezen, niet de Marokkaan of de Surinamer. Nederland is als een tiener die op zichzelf moet gaan wonen en voor zichzelf moet zorgen, en bang is om volwassen te worden.

2 reacties

Opgeslagen onder Politiek

Op Cyprus: Een crisisanalyse

De run op de banken in Cyprus is het grootste nieuws van de dag. Zoals eigenlijk overal in Europa, maar in het bijzonder in Zuid-Europa, zijn de banken op (Grieks-)Cyprus failliet. Maar dit faillissement, zoals alles wat de financiële sector betreft, is evenzeer psychologisch als het reëel is – zolang een bank geloofd wordt kredietwaardig te zijn maakt het niet veel uit hoeveel liquide middelen de bank werkelijk bezit, maar zodra deze kredietwaardigheid wordt aangetast door externe of interne factoren is het gedaan. Die factoren hoeven helemaal niet direct met de gegeven bank te maken te hebben. Vaak gaat het om grotere, meer indirecte problemen, zoals een kelderende economie in het betreffende land, een verwachting van non-kredietwaardigheid bij andere instellingen waar de bank qua risico aan blootgesteld is, of de overtuiging dat de banken van het betreffende land eenvoudigweg de zwakste schakel zijn.

De Europese monetaire unie en het IMF zijn er echter op gebrand om geen enkele bank werkelijk failliet te laten gaan. Iedere failliete bank betekent niet alleen kapitaalvernietiging, maar tast verder de geloofwaardigheid van andere banken aan, verergert de positie van de crediteuren, en veroorzaakt zo (zo meent men) een domino-effect. Maar een serieuze globale economische crisis functioneert voor iedere individuele bank, hoe groot deze ook mag lijken, als zo’n grootschalige gebeurtenis dat het effectief een grote externe schok is. Om dan een bank overeind te houden is alleen mogelijk door ofwel een hoop geld in de bank te pompen in de hoop dat de nieuwe liquiditeit de zaak draaiende houdt totdat de crisis voorbijgaat en de investeringscyclus weer op gang komt, al was het maar om psychologische redenen (zoals Keynes verwachtte), ofwel de crediteuren te benadelen en eenvoudigweg een gedeeltelijk bankroet te verklaren, maar hopen dat de crediteuren genoegen nemen met tenminste een deel van hun geld terug te krijgen en dus geen verdere negatieve investeringsacties ondernemen. In de meeste gevallen tot nu toe, in het bijzonder in Griekenland, heeft men gekozen voor beide opties. Lees verder

1 reactie

Opgeslagen onder Economie

Het Einde van Frontaal Naakt

Niet lang geleden, pakweg een halfjaar ofzo, besloot ik vanuit den vreemde eens te zoeken op Twitter naar Nederlandstalige personen en blogs die een kritisch perspectief op Nederlandse zaken zouden kunnen bieden. Door het soort gelukkig toeval dat het internet zo vaak biedt, kwam ik al snel uit bij Frontaal Naakt, de blog van Peter Breedveld. Al snel werd dit de enige blog in het Nederlands die ik systematisch las, zowel door de moedige en principiële manier waarop Breedveld en kompanen de schier eindeloze horden domrechtse kleinburgerij te lijf gingen, als ook door de scherpte, de levenslustigheid, en de intellectuele belangstelling die sprak uit de artikelen. Breedveld’s stijl is vlijmscherp en polemisch, vrijwel altijd raak, onbevreesd een duidelijk standpunt uit te dragen zonder de behoefte eindeloos concessies te doen. Hij heeft bovendien het zeldzame talent grappig en effectief te zijn in polemiek zodanig dat ook als je het niet met hem eens bent, het een genoegen te lezen is – iets wat sinds het overlijden van de grote W.F. Hermans in de jaren 90 in Nederland eigenlijk niet meer voorgekomen is. Als duo met de vertaalster en televisieproducente Hassnae Bouazza, wiens interessante en nuttige boek Arabieren Kijken ik recent recenseerde op deze blog vormden zij een ongebruikelijk geluid in het hedendaagse Nederland: stijlvol, vrijheidslievend, en een rots in de branding in de strijd tegen racisme, immigrantenhaat en alle vormen van klein-rechtse uitstulpingen. Zo leerde ik de site kennen.

Het is dan ook met bijzondere ergernis en teleurstelling dat ik heb moeten vernemen dat de site er mee op houdt. De laatste druppel was een artikel van een zekere Elma Drayer in het dagblad Trouw, waarin de site en in het bijzonder Breedveld en Bouazza zelf werden afgeschilderd als rabiate anti-semieten en als symbool voor al het Nieuwe Kwaad dat overbetaalde, luie dagbladjournalisten in het internet menen waar te nemen. (Hier in Londen schrijven journalisten voordurend over hoe de toegankelijkheid en laagdrempeligheid van het internet een gevaar vormen voor de journalistiek, alle inhoud dreigen te doen verdwijnen, en zo voort; zonder uitzondering zijn deze lamentaties altijd van de hand van de minst competente, meest intellectueel luie vertegenwoordigers van de traditionele media.) De beschuldigingen waren zonder uitzondering gebaseerd op uit hun context gerukte frasen gebruikt voor polemische doeleinden, vaak zelfs expliciet sarcastisch – iets wat ook maar de minste poging onderzoek te doen onmiddelijk zou uitwijzen. Maar een van ‘s lands grootste dagbladen mocht rustig een onbetaalde blogger belasteren en zwartmaken zonder dat deze ook maar een recht op repliek had, en dat nog wel onmwille van de strijd tegen racisme, terwijl Breedveld en Bouazza zich nou juist bij uitstek tegen de nieuwe salonfähigkeit van racisme in Nederland hadden gericht! Ondertussen mag Joost Niemöller, die er expliciet ‘wetenschappelijke’ rassentheorieën op na houdt, rustig stukjes schrijven voor HP/De Tijd, de NCRV, en de Volkskrant.

Het is een verbluffend maar treurig feit dat ondanks alle vijandigheid jegens migratie, alle klachten over buitenlanders en zo voort in dit land, er nergens in het Verenigd Koninkrijk zo systematisch en in zulke invloedrijke sferen openlijk racisme en volkerenhaat wordt bedreven als in Nederland het geval is. Mijn moederland begint hier aan de andere kant van het kanaal een toenemend gure reputatie te verwerven die met Griekenland en Italïe kan wedijveren op het gebied van xenofobie. Vaak vraagt men mij: “wie heeft er toch jullie land overgenomen, dat het nu zo is?”. Ik probeer altijd uit te leggen dat de ‘tolerante’ reputatie van Nederland altijd al meer schijn dan werkelijkheid is geweest, en Nederland heeft altijd uitgeblonken in moraliserende hypocrisie, maar het kan niet ontkend worden dat er nu op TV en in dagbladen dingen gezegd worden die in de jaren ’80 uitsluitend het domein van neo-fascisten waren. Als zelfs in de grote kranten openlijk racisme bedreven kan worden, en ieder mogelijk tegengeluid onmiddelijk wordt afgedaan onder het mom ‘we moeten de problemen benoemen’ of als overblijfsel van de afgedane ‘linkse kerk’, dan is een onafhankelijke site die niet bang is de strijd aan te gaan des te meer nodig.

Ik geloof niet dat echt fascisme, mocht het zover komen, met woorden alleen bestreden kan worden. Maar wat wel kan is de verbale en intellectuele strijd aangaan met alle fellow travellers van nieuw-rechts: de mensen die rassentheoriëen accepteren, die Israël steunen om de Arabieren een lesje te leren en zoiets doodernstigs als anti-semitisme bagatelliseren en misbruiken voor manipulatieve doeleinden, de mensen die natuurlijk niets hebben tegen buitenlanders ‘maar er is toch wel een probleem’, de lieden die uitentreure herhalen hoe je ‘nooit iets mag zeggen over immigratie’ wanneer er in Nederland al tien jaar over niks anders gesproken wordt en nooit positief, de nette burgers die vinden dat het antwoord op ieder politiek en economisch probleem is om ‘hard in te grijpen’ en nooit vragen wat dat doet of betekent. Dát deel van de bevolking, die wijze van denken die nu dominant is in Nederland (voor zover ik vanuit Londen kan overzien), daartegen is een krachtig tegengeluid op zijn plaats.

Ik verwijt Breedveld natuurlijk niets – Bouazza en hij hebben een waarlijke storm van bedreigingen, beledigingen, chantagepogingen, aanklachten en alle mogelijke zwartmakerij moeten ondergaan, zonder uitzondering natuurlijk precies uit diezelfde hoek die altijd en overal iedereen die iets anders zegt onmiddelijk het verwijt maakt de ‘vrijheid van meningsuiting’ niet te waarderen. Maar het kan nieuw-rechts helemaal niets schelen, de vrijheid van meningsuiting. Sterker nog, ze haten het, met een diepe haat: wat zij willen is vrijheid voor racisme, xenofobie, intimidatie en de aggressie van het onderbuikinstinct. Enige andere vrijheid proberen ze met alle middelen te kop in te drukken, daarin bijgestaan door de onvoorstelbare hypocrisie en lafheid die veel van het Nederlands medialandschap laat zien. Dat is een bijzonder zorgelijke trend, en dat ze zelfs zulke sterke schrijvers als Peter Breedveld hebben kunnen intimideren via geliefden, werk en familieleden toont eens te meer aan dat helemaal niemand veilig is voor de grijze golf die over Nederland spoelt.

Voor mij persoonlijk was Frontaal Naakt een inspiratie om ook in het Nederlands te gaan schrijven. Het einde van Frontaal Naakt is evengoed een inspiratie, een oproep om de infantiele kleinburgerlijke Latter Day-kruisvaarders niet het terrein zonder strijd af te staan. Dankzij de globale economische crisis slaan in allerlei landen de populistische tendenzen al snel om in onverhuld fascisme, zoals te zien in Griekenland, Rusland en Hongarije; het is tijd dat in Nederland progressieve mensen zich organiseren om op zijn minst te laten horen dat het ook anders kan. Verder wens ik Breedveld en Bouazza een rustiger, plezieriger tijd tegemoet, en hopelijk kunnen we meer van hen horen in een andere context of op een ander medium.

2 reacties

Opgeslagen onder Media, Politiek